VN MediagidsDemocratiseren is niet zo simpel
10.05.2003
Desaddamisatie
10-05-2003
Door Thomas von der Dunk
Waarom wil het met de democratisering buiten het Westen zo zelden lukken? En waarom valt te vrezen dat er ook in Irak een nieuwe autocratie of een bloedige anarchie zal ontstaan? Al het optimisme van Bush ten spijt. 'Als een dictatuur voor een democratie plaats maakt, zijn de dubieuze lieden niet allemaal op slag verdwenen.'
Ze behoren tot de meest tot de verbeelding sprekende momenten uit de geschiedenis: het van hun sokkels storten van de bronzen beelden van voorheen zo taaie tirannen. De vorige maand beleefde de wereld weer zo'n moment, dat de televisiecamera's even dankbaar registreerden als in 1792 de tekenaars de onttakeling van de koningsmonumenten in Parijs. In de vernietiging van de symbolen van het ancien régime lijkt zich steeds een veelbelovend nieuw tijdperk aan te kondigen. Ook ditmaal waren veel toeschouwers zwanger van hoop – tot de aanstichter van dit alles in het Witte Huis toe.
Er was in Bagdad niets nieuws te zien: al aan de oude Babyloniërs was deze 'damnatio memoriae' niet onbekend. En ook in de afgelopen decennia zagen wij in Afrika en Azië de despoten bij bosjes vallen – van Soeharto tot Bokassa – en werd de verwachting uitgesproken dat het veel beter zou gaan: vrijer, eerlijker, democratischer. Die verwachting leek toen niet minder gerechtvaardigd dan de hoop die de optimisten nu hebben in het geval van Irak – en toch werd die verwachting veelal beschaamd. De nieuwe democratieën brachten vaak na verloop van tijd weer nieuwe autocratieën voort, alsof er onuitroeibare tegenkrachten werkzaam zijn die de wereldwijde realisatie van het democratisch ideaal verhinderen.
Waar komen al die moderne dictaturen toch vandaan? Waarom wil het met de democratisering buiten het Westen zo zelden lukken? Waarom valt te vrezen dat ook de pretentie van Bush vrede en vrijheid te brengen in haar tegendeel zal verkeren – ofwel in een nieuwe autocratie, ofwel in een bloedige anarchie?
Elke samenleving kent een zekere hoeveelheid gewelddadigheid. Die kan hoofdzakelijk geprivatiseerd zijn, en dan noemen we dat criminaliteit. Zij kan geïnstitutionaliseerd zijn, en dan spreken we van overheidsterreur. Kortom, komen de gevaren allereerst van de straat of van de staat? In democratieën zoeken onfrisse types hun toekomst in de onderwereld, in dictaturen voelen zij zich ook op het politiebureau uitstekend thuis.
In dictaturen is de criminaliteit namelijk vaak in het staatsapparaat geïncorporeerd: criminelen zien daarbinnen meer kansen dan buitenom, omdat hun dan de sterke arm ter beschikking staat. Hoe totalitairder een regime, hoe sterker dit geldt. Juist een blik op Irak is leerzaam: de zonen van Saddam Hoessein beschikten over een soort privélegertjes die voor het najagen van particuliere geneugten konden worden ingezet. De vestiging van een rechtsstaat vergt zo de ontvlechting van staatsmaffia en staatsapparaat, en dat betekent meestal niet dat maffiosi spontaan in moeder Teresa's veranderen, maar veeleer hun voorheen met het staatsapparaat versmolten bedrijfstak zullen moeten privatiseren.
Als een dictatuur voor een democratie plaats maakt, zijn zulke dubieuze lieden evenwel niet allemaal op slag verdwenen, en dat is verklaarbaar. Enerzijds zullen de nieuwe democratische machthebbers zelden direct tot een algehele sanering – denazificatie, destalinisatie, desaddamisatie – van de overheidsbureaucratie over kunnen gaan, omdat veel van die staatsmaffiosi tegelijk de enigen zijn die over de kennis beschikken om het staatsapparaat in de cruciale overgangsfase te laten functioneren. En anderzijds zullen veel handlangers van het oude bewind trachten de huik naar de wind te hangen door zich als pure technocraten of 'reborn' democraten te vermommen. Hoe onschuldig onbeduidend deed de chemicus Al-Saadi zich niet voor bij zijn overgave, ofschoon hij betrokken was bij het verboden-wapenprogramma van Irak?
Irak illustreert tegelijk ook dat de bedoelde continuïteit niet alleen geldt voor landen waar de machtswisseling op enigszins geregelde wijze plaatsvindt. De ergste criminelen komen dan misschien wel op een opsporingslijst te staan, die nu bij de Amerikanen de vorm van een kaartspel heeft aangenomen, maar de rest? Die is eigenlijk onmisbaar, want het alternatief is chaos, zoals de nasleep van Saddams val leert. Vandaar dat toch maar haastig aan veel oude bureaucraten en politieagenten verzocht is nog eventjes in functie te blijven, ook al zullen er zich onder hen veel met een minder nobele inborst bevinden.
Consequentie van de verwevenheid van onderwereld en bovenwereld in een dictatuur is dat de crimineel tevens politicus geworden is, gewend langs politieke weg zijn criminele ambities te realiseren. Dat verandert niet automatisch wanneer de dictatuur voor een democratie wijken moet. Hij zal naar wegen zoeken om ook via officiële staatskanalen zijn macht te behouden. In een land zonder democratische traditie zijn de mogelijkheden daarvoor legio. Waar stabiele politieke partijen nog vanzelfsprekend ontbreken, kan hij er zélf eentje oprichten, en op zoek gaan naar maatschappelijke tegenstellingen die verkiezingssucces beloven.
De electoraal meest veelbelovende én voor de broze jonge democratie meest explosieve tegenstelling blijkt dan vaak een etnische of religieuze. Joegoslavië vormt daar intussen het schoolvoorbeeld van, maar Irak, met zijn spanningen tussen Koerden, sjiieten en soennieten, zou weleens een tweede kunnen worden. Indien, zoals inherent aan een gewezen dictatuur, het politieke leven (en daarmee ook het politieke besef) bij de bevolking sterk onderontwikkeld is, zal politieke groepsvorming namelijk al snel niet plaatsvinden op basis van ideologische verwantschap, maar op basis van fysieke. Dat zijn namelijk de banden die ook in een dictatuur blijven functioneren: de contacten met de eigen familie, de eigen clan, het eigen dorp of de eigen streek.
Om een gevoel van gemeenschappelijkheid met zijn dorpsgenoten te hebben, is het immers voldoende dat men het dagelijkse, apolitieke leven met hen deelt. Het constateren van geestelijke verwantschap vergt daarentegen het openlijk bediscussiëren van ideeën. Van een al te grote vrijheid dienaangaande zijn de meeste dictators niet gediend, zodat daarmee op het moment van de democratische omwenteling nog weinig ervaring is opgedaan. Waar andere wegen naar gemeenschappelijkheid – omdat zij een veel meer gerichte organisatie vereisen – in een dictatuur al snel als staatsgevaarlijk afgesloten waren, is die fysieke gemeenschappelijkheid vaak de enige die voorhanden is op het moment dat de dictatuur verdwijnt.
Dat hoeft natuurlijk niet per definitie een probleem te zijn, maar wordt dat wel algauw, als deze etnische tegenstellingen zeer oud en scherp zijn. Zie nogmaals Joegoslavië, of de Kaukasus. Is, met andere woorden, de desbetreffende staat in etnisch opzicht een logische of een kunstmatige? Op dat punt valt de wereld in twee helften uiteen: op het westelijk halfrond en in West-Europa vallen staat en natie meestal heel behoorlijk samen, in Afrika, de Arabische regio en ook grote delen van Azië verderop sporen de staatsgrenzen geenszins met wat aldaar als 'logisch' wordt gevoeld.
In zulke staten ligt de loyaliteit al snel niet bij de staat als geheel, maar bij de eigen stam of groep. De politici streven er dienovereenkomstig niet naar om het land als geheel, maar vooral om hun eigen stam of groep te 'bedienen' – en er wordt van hen ook niet anders verwacht, zoals nog recent door Roel van der Veen in zijn boek Afrika van de Koude Oorlog naar de 21e eeuw is betoogd. Er is geen Zaïrees of Zimbabwaans volk zoals er Zwitsers of Zweden zijn – dat is het hoofdprobleem in Afrika.
Dat kan tevens verklaren, waarom democratisering in het ene geval tamelijk geruisloos verloopt en in het andere in chaos ontaardt. In Washington gaan de conservatieve denktanks nu optimistisch van het eerste uit: met hun oorlog verwachten zij het Midden-Oosten voor de democratie te winnen. Zij verwijzen daartoe naar eerdere successen elders, allereerst naar Duitsland en Japan. Ten onrechte. Afgezien van het feit dat men in beide gevallen met een hoogontwikkelde burgerlijke samenleving te doen had, die in Irak nu nagenoeg verdwenen is – en Duitsland bovendien vóór Hitler wel degelijk een zekere democratische traditie kende – bestaat er nog één belangrijk verschil. Na de capitulatie van 1945 was er niemand die eraan twijfelde dat de Duitsers en de Japanners elk één volk uitmaakten.
Hetzelfde verklaart ook mede het succes in de jaren zeventig in Griekenland en Portugal, alsmede de vrij soepele gang van zaken in het volgende decennium in Latijns-Amerika. Er was geen nationale agenda die door etnische tegenstellingen werd belast en irredenta-bewegingen ontbraken. Ook hevige binnenlandse conflicten vonden hun oorzaak meestal in sociale tegenstellingen die het voortbestaan van de staat als zodanig nooit in twijfel trokken. Om vierduizend kilometer Chili bijeen te houden was Pinochet niet nodig, evenzeer als dat ook voor tweeduizend kilometer Noorwegen wel zonder een dictator lukt. Voor het bijeenhouden van Joegoslavië bleek Tito daarentegen achteraf onontbeerlijk.
Toen, in het kielzog van Gorbatsjov, ook in Joegoslavië de roep om democratie toenam en het dictatoriale centrale gezag aan macht inboette, zagen de politiek-criminele entrepreneurs hun kans. De ondergronds sluimerende etnische spanningen werden door figuren als Milosevic en Tudjman behendig uitgebuit. Voor politieke partijvorming op inhoudelijk-ideologische grondslag, op de grondslag van een maatscháppelijk in plaats van een etnisch concept, ontbrak een solide basis, omdat de oorzaak van de bestaande problemen allereerst als een nationale werd gezien en gepresenteerd.
Men kan natuurlijk als tegenvoorbeeld Spanje opvoeren: ongeacht Baskische bomaanslagen is het in dit land vol minderheden na Franco toch ook goed gegaan? Toch is het riskant om bij Irak op eenzelfde uitkomst te rekenen. Ten eerste is Spanje véél ouder dan Irak, zodat het intussen veel meer tot een eenheid is uitgegroeid. En ten tweede werd het gevaar van separatisme hier mede door verregaande federalisering ondervangen – iets dat nu juist voor Irak taboe is, met het oog op de Turken die geen zichtbaar Koerdistan direct over de grens willen hebben. Of de Koerden echter 'onzichtbaar' willen blijven, is twijfelachtig, of dat in een democratie tegen hun zin valt te realiseren is nog twijfelachtiger, en dus laat die eenheid zich vermoedelijk alleen maar afdwingen met harde hand.
Bush zal hier stuiten op een werkelijkheid die zo oud is als Babylon. Zoals de Britse publicist Michael Lind deze op 5 oktober 2000 in de Guardian verwoordde: de meeste multinationale rijken zijn hele of halve autocratieën, en vallen bij een democratiseringsgolf vaak in hun etnische bestanddelen uiteen. Dat gold voor het Ottomaanse Rijk in zijn nadagen, voor de Dubbelmonarchie, en voor het imperium van de tsaar: na de Russische Revolutie viel het al spoedig uit elkaar. De ontbinding van de Sovjet-Unie met de val van Gorbatsjov liet daarvan in zekere zin een herhaling zien. Voor Irak is het risico dan ook groot dat dit niet anders zal zijn: desintegratie langs etnische lijnen zodra de dictator vertrekt.
Daarmee is echter nog niet alles verklaard, want waardoor is die dictatuur überhaupt tot stand gekomen? En waarom is om de boel bij elkaar te houden nu vaak meer geweld nodig dan vroeger? De Turkse sultan, die over nog wel heel wat meer volkeren heerste, was immers niet met Saddam Hoessein te vergelijken: vroeger leefden veel mensen ook in multinationale rijken zonder dat zij gebukt gingen onder een permanente staatsterreur. Dat dat toen niet zo was, en nu al snel wel, is zowel een kwestie van toegenomen middelen als van gestegen externe dwang.
Eerst die middelen. Ook al zou Lodewijk XIV of Robespierre het graag gewild hebben: zij konden met geen mogelijkheid alles onder controle houden, daarvoor waren hun instrumenten veel te beperkt. Geen gedetailleerde kadasterkaarten, efficiënte belastingdiensten of burgerlijke stand om een geordende regelmaat op het gebied van de staatsinkomsten zeker te stellen: dat waren nieuwigheden uit Napoleons tijd. De Groningse architectuurhistoricus Auke van der Woud heeft het in zijn boek Het lege land eens beeldend beschreven: nog toen Willem I koning der Nederlanden werd, was hem onbekend over hoeveel vierkante kilometers hij ging regeren; over hoeveel inwoners kon hem weliswaar sinds kort worden verteld, maar hoeveel belastbaar vermogen al die inwoners tezamen bezaten, hoeveel zij maandelijks verdienden, of zij zich wel Nederlander voelden – geen minister die het wist.
In een tijd dat het paard het snelste vervoermiddel vormde, was het ondoenlijk om vanuit Parijs een veldslag duizend kilometer verderop te dirigeren. Besluitvorming verliep traag, want de communicatie vergde dagen, en moest bij gebrek aan telefoon worden toevertrouwd aan postkoetsen, postduiven of postboden die altijd door rovers konden worden overvallen zonder dat de afzender dat dan ook meteen wist. Een beetje tegenwind op Het Kanaal, één dicht gesneeuwde alpenpas, en men kon een invasie vergeten. De heerser kon maar op één plaats tegelijk zijn, het duurde lang voor hij daar was, en zo snel hij op zijn vorige plek zijn hielen gelicht had, had hij zijn directe controle daarover verloren. Geen satellieten om de vijand van boven te bespioneren, geen camera's om van afstand gevaar te kunnen signaleren, geen scanners om ongewenste smokkelaars door te lichten – überhaupt nog geen vingerafdrukken of fotografie. Hoe moest men staatsgevaarlijke sujetten vinden en identificeren zonder de mogelijkheid van een opsporingsbericht op de tv?
De staat was alleen al uit geldgebrek beperkt van omvang – het Nederlandse ministerie van Justitie begon in 1813 met een ambtenaar of tien. De beperkte middelen dwongen de centrale overheid, die zich ook fysiek op veel grotere afstand van de onderdanen bevond, tot het voeren van een politiek van leven en laten leven. Anders dan in het Irak van Saddam, waar iemand een raamplakkaat met 'I love America' ongetwijfeld zwaar zou bezuren, konden de dienders van Lodewijk XIV niet achter elk subversief schotschrift aan. En waar in het Iran van de ayatollahs maar één godsdienst is toegestaan, daar liet de Turkse sultan zijn ongelovige onderdanen bij het uitoefenen van hun eigen religieuze besognes in de regel met rust. Het oude Ottomaanse Rijk was veel ruimdenkender dan zijn seculiere opvolger, en de ingezetenen voelden zich indertijd veel minder door de overheid in hun zelfontplooiing bekneld. Anders dan onder Atatürk, waar elk hoofddoekje meteen als staatsondermijnend van de universiteit werd gejaagd, kwam er toen slechts af en toe iemand uit Constantinopel langs om wat belasting te innen.
Daaraan is in de twintigste eeuw steeds meer een einde gekomen, en dat heeft alles te maken met een mondiaal moderniseringsproces. Als gevolg van het westerse imperialisme was de hele wereld in de negentiende eeuw in de Europese invloedssfeer geraakt. Die op een enorme technische en maatschappelijke voorsprong gebaseerde Europese oppermacht was niet los te zien van de efficiënte wijze waarop Europa zelf inmiddels was georganiseerd – en efficiëntie is vooral een zaak van rationalisering en uniformering. Eenheid van maat, van tijd, van geld, van taal: deze zaken moesten de greep van de overheid op het eigen territorium en de interne communicatie helpen vergemakkelijken – dwars tegen oude, al dan niet godsdienstig geheiligde, gewoonten en gebruiken in. Het zorgt voor nodeloze verwarring en oponthoud, wanneer de een zijn lapje textiel op de markt in Rijnlandse en de ander dat in Vlaamse ellen meet. Het is ook zeer onhandig wanneer de Friezen Fries spreken, terwijl zij Nederlanders moeten zijn.
Deze westerse moderniteit zette de niet-westerse wereld voor het blok. Wilden hun politieke leiders na de dekolonisatie enigszins tegenspel kunnen bieden, dan was eveneens een drastische modernisering en uniformering van hun jonge natie noodzakelijk. Dat betekende vooral: een secularisering en verwesterlijking, die haaks stond op traditionele culturen en structuren, en dus bij de betrokkenen een enorme tegenstand oproepen moest. Zo'n voor de nationale machthebbers omwille van hun macht noodzakelijke metamorfose betekende voor de lokale leiders immers het opgeven van veel van wat voor hen vertrouwd en (daardoor) ook vaak sacrosanct was ten gunste van een staat waarmee de bevolking zich maar nauwelijks identificeerde. Daartoe waren zij maar zelden bereid – niet het minst omdat daarmee eigen machtsposities in gevaar dreigden te komen. Een mooi recent voorbeeld uit de krant: Egyptische legercommandanten die weigeren aan soldaten een bedieningsinstructie voor hun tank uit te delen, omdat daarmee hun eigen kennismonopolie verloren gaat.
De moderniseringsdwang van de staat versterkt zo de minderhedenproblematiek. De toegenomen druk tot aanpassing aan 'nationale' normen werkt het separatisme in de hand – en daarmee uiteraard ook de noodzaak om dit met geweld de kop in te drukken: zie Irak. Net als andere nationale machthebbers stond immers ook Saddam Hoessein voor de keuze om ofwel van zijn aspiraties af te zien, ofwel de benodigde uniformering met harde hand door te voeren.
Dat voert ons terug naar de beginvraag. Veel bloedige dictaturen zijn niet los te zien van het ontstaan van de moderne eenheidsstaat, die omwille van de efficiëntie elke traditionele regionale diversiteit als 'achterlijk' moest bestrijden. Die staat wordt daardoor tegelijk door veel inwoners niet als vanzelfsprekend gezien. Democratisering zal, zoals de verkiezingszeges van de islamisten in Turkije en van het FIS in Algerije hebben duidelijk gemaakt, in dit stadium snel leiden tot een streven om de eigen oude identiteit te behouden, en waar dit op te veel tegenstand van de staat stuit derhalve snel in afscheidingsbewegingen resulteren. Dat maakt de democratisering ook in Irak tot een veel moeizamer proces, en zou uiteindelijk wederom kunnen betekenen dat de staatkundige eenheid slechts te behouden valt op kosten van de democratie.
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




