VN MediagidsDe moeder aller dilemma's

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

22.02.2003

Door

22-02-2003
Door Ko Colijn

Europeanen zien er eigenlijk niets in, over de oceaan is een krappe meerderheid van de bevolking vóór. Zonder een eindoordeel te willen vellen: welke argumenten van beide kampen deugen wel, en welke niet?

Het valt niet te ontkennen: in Europa is zo'n zeventig tot tachtig procent van de burgers tegen een oorlog met Irak, als de Verenigde Staten daarvoor géén definitief mandaat van de Verenigde Naties krijgen. En zelfs mét zo'n mandaat is nog altijd veertig procent niet geporteerd voor een aanval. Met zulke cijfers in de polls – en massale demonstraties als die van afgelopen weekend – moet je als politicus een overtuigend verhaal hebben. Anders wordt het niets.

Amerikanen neigen meer naar oorlog. Zónder VN-mandaat is de helft van de bevolking voor een definitieve afrekening met Saddam. En als er nog een paar andere landen meedoen, zoals Groot-Brittannië, Italië en Australië, neemt de steun voor een aanval onder de Amerikaanse bevolking toe tot zestig procent. Dat sterkt Bush vermoedelijk in de gedachte dat hij, als het echt niet anders kan, een oorlog kan beginnen buiten de Veiligheidsraad om. Maar heeft de krappe meerderheid der Amerikanen ook gelijk? Of ligt dat bij de Europese tegenstanders van oorlog? Aan de vermoedelijke vooravond van een aanval op Irak: een weging van de belangrijkste argumenten.

Oorlog is niet nodig.

Begin oktober 2002 plaatste een groep van drieëndertig fameuze politieke wetenschappers een anti-oorlogsadvertentie in de New York Times. Hun boodschap was dat Irak ook met een politiek van indamming, een koude oorlog dus, in bedwang kan worden gehouden.

De ondertekenaars – van onverdachte, niet-pacifistischen huize – lijken een sterk tegenargument te geven. Ze hangen de zogenoemde structureel-realistische school aan. Uitgangspunt daarvan is het uiteindelijk ontbreken van internationaal gezag dat boven de natiestaat uitgaat: organisaties als de VN beschikken niet over eigen militaire middelen, en hebben dus geen werkelijke macht. Afzonderlijke landen moeten zien te overleven in de internationale anarchie, waardoor ze hun eigen veiligheid altijd bovenaan de agenda moeten plaatsen.

Ideologie, binnenlandse politiek, democratie of dictatuur: het doet er uiteindelijk niks toe. Elk land zoekt naar machtsevenwicht om zich van vrede te verzekeren. Ze sluiten allianties of verlaten die, zoals het uitkomt. Ze vallen zwakkere staten aan, tenzij ze worden afgeschrikt door vijanden sterker dan zijzelf. Zelfs een dictator als Saddam begrijpt de regels van dit spel, en laat zich door een machtige tegenstander afschrikken – net als Stalin en Kaddafi.

Maar klopt de theorie? Het uitgangspunt van statenanarchie is ongetwijfeld correct, en zou weleens de verklaring kunnen zijn voor de slijtage van de Navo en de vrijage van Frankrijk met Duitsland en Rusland: alleen zo kunnen ze Amerika enig tegenspel bieden.

De theorie voorziet echter niet in gestoorde leiders. Ook een dictator mag geen pathologische afwijkingen hebben en moet goed op de hoogte zijn van de krachtsverhoudingen in de wereld, anders kan hij het afschrikkingsspel niet goed spelen. En Saddam Hoessein lijkt daar niet toe in staat.

Had hij zich precies zo gedragen als de theorie voorschrijft, dan zou hij zich niet aan Koeweit hebben vergrepen voordat hij een atoombom had. Hij zou het VN-ultimatum van eind november 1990 – we vallen aan als u niet uit Koeweit verdwijnt – serieus genomen hebben, en vertrokken zijn. In plaats daarvan koos hij onbevangen voor een pak slaag. Ook calculeerde hij indertijd verkeerd met zijn Scudaanvallen op Israël: hij dacht daarmee, ten onrechte, de Arabisch-Amerikaanse coalitie te kunnen splijten.

Hij zag weliswaar, nadat de Amerikaanse minister James Baker had gewaarschuwd voor 'een verschrikkelijke prijs', af van het gebruik van chemische wapens. Maar uit verhoren van gevangengenomen commandanten is later gebleken dat hij daar uiteindelijk wel degelijk toe bereid zou zijn geweest. Ze hadden het bevel gekregen gifgranaten en biowapens af te vuren als de Amerikanen te dicht bij Bagdad kwamen.

Daar komt nog bij: de voorgestelde politiek van indamming is twaalf jaar lang beproefd, en heeft weinig resultaat gehad. De olieboycot heeft Saddam honderdvijftig miljard dollar aan olie-inkomsten gekost, maar liever dat dan de massavernietigingswapens inleveren, Koeweit schadeloos stellen en opheldering geven over verdwenen Koeweiters.

De pleidooien van een politicus als Chirac om Irak nu met sancties en inspecties aan de ketting te leggen, klinken ook een beetje eigenaardig. Uitgerekend Frankrijk vond het, met Rusland, al eind 1998 welletjes met de indamming van Irak en wilde van de VN-inspecties en de sancties af – of probeerde die te ondermijnen. Beide landen hebben, heel toevallig, miljarden van Irak te goed voor onder andere wapenleveranties. Zou het kunnen dat Saddam Hoessein de pleidooien van Chirac opvat als een signaal dat hij de dans ontspringt als hij zijn lot in handen van een Europese opportunist legt? Dat zou te betreuren zijn.

Als er al oorlog komt, moet Europa niet meedoen – het volk wil niet.

Het mag in sommige ogen misschien ondemocratisch zijn, het is niet verstandig om bij het sturen van militairen te leunen op de opvattingen van 'het volk'. Daarvoor zijn die opvattingen veel te wisselend.

In situaties die om ingrijpen schreeuwden, zoals de eerste Golfoorlog uit 1991 – een duidelijk geval van Iraakse agressie tegen Koeweit – of het VN-ingrijpen in Rwanda in 1995 was het antwoord in enquêtes: 'Nee, dank u.' De roep om (Amerikaans!) ingrijpen in de Bosnische oorlog was juist weer enorm luid. Op het volk valt geen peil te trekken, beleidsmakers moeten zich er niet al te veel van aantrekken.

Nog afgezien van de overbekende methodologische valstrikken ('Bent u voor de oorlog' geeft heel andere uitkomsten dan 'Vindt u humanitair ingrijpen tegen dictator Saddam Hoessein te rechtvaardigen') is het resultaat van zulk opinieonderzoek vaak vooral een weergave van weliswaar serieuze, maar tamelijk elementaire gevoelens. Veruit de meeste mensen vinden het doden van soortgenoten een abjecte gedachte, dus staan ze huiverend tegenover oorlog. Nuances, zoals de vraag of een aanval op een met massavernietigingswapens bewapend Irak in laatste instantie gerechtvaardigd zou zijn, worden door zulke huiveringen overschaduwd.

Dat het volk vooraf tegen is, zegt dus niet zoveel. Bovendien, zo kunnen voorstanders van een aanval aanvoeren: als de oorlog eenmaal voorbij is, en Milosevic, de Taliban of Saddam zijn verslagen, keurt de publieke opinie het gevoerde beleid meestal in ruime meerderheid goed.

Het is geen zelfverdediging.

Sinds president Bush in 2002 officieel de doctrine van de preëmptieve oorlog heeft omarmd, is het anti-amerikanisme in Europa (en de rest van de wereld) sterk toegenomen. Mede doordat een aanval zonder dat je zelf in direct gevaar verkeert, als pure agressie van Amerikaanse kant wordt gezien. Hebben de tegenstanders van oorlog daarin gelijk?

Eerst het verschil tussen preventief en preëmptief. In het laatste geval ben je een aanvaller net te vlug af: je schiet hem neer voordat hij de trekker overhaalt. De rooms-katholieke bisschoppen, die de oorlogsrechtvaardiging van de vijfde-eeuwse Sint-Augustinus van stal halen (oorlog mag alleen als die uiteindelijk de zaak van de vrede dient), spreken in dit verband van verdediging tegen 'een immanente ernstige bedreiging'. Dat wordt algemeen als een vorm van gerechtvaardigde zelfverdediging geaccepteerd. Preventief aanvallen niet. Want een oorlog beginnen uit voorzorg – je bent ervan overtuigd dat de trekker zal worden overgehaald, maar er is nog geen sprake van – opent de deur naar willekeur.

Bush haalde de zaken in 2002 een beetje door elkaar door een 'preëmptieve doctrine' uit te roepen tegen 'potentiële dreigingen'. Maar los daarvan: ook voor een preventieve aanval is soms wel wat te zeggen.

Voorstanders van oorlog wijzen op een precedent van een jaar of twintig geleden. Israël schakelde op 7 juni 1981 met een luchtaanval de Iraakse kerncentrale in Osirak uit. Ook een preventieve aanval, totaal in strijd met het internationaal recht, want van een onmiddellijke dreiging met kernwapens was (nog) geen sprake. Ook de Verenigde Staten veroordeelden de aanval. Maar achteraf betreurt geen weldenkend mens de Israëlische raid. Er vielen weinig doden en het bombardement heeft de plutoniumproductie van Irak behoorlijk vertraagd. Hadden de Israëliërs het niet gedaan, dan zou Saddam in de oorlog tegen Iran, en in ieder geval ten tijde van zijn aanval op Koeweit, de beschikking over een paar kernwapens hebben gehad.

Dat zou de recente geschiedenis van het Midden-Oosten een geheel ander aanzien hebben gegeven. Powell en Bush senior waren dan in 1991 niet aan Desert Storm begonnen. Saddam had alle kleine Golfstaten en Saoedi-Arabië nucleair kunnen chanteren. Hij zou de feitelijke controle over het merendeel van de olie uit het Golfgebied hebben gehad.

De leverancier van de Osirak-reactor was Frankrijk (in 1975), de handtekening onder het contract was die van de jonge premier Jacques Chirac – binnen de Israëlische geheime dienst Mossad leefde hij voort als Jacques Irac, de kernreactor heette O-chirac. Het was Iraks eerste kernreactor, en Frankrijks meest prestigieuze exportproduct.

Moeten wij de Mossad verwijten dat zij zich preventief met dit Frans-Iraakse project bemoeide? En waarom dan wel? Omdat het in strijd was met het handvest van de Verenigde Naties en vijftienhonderd jaar oude opvattingen over de 'rechtvaardige oorlog'? En als we die verwijten laten klinken, zijn we dan moreel verplicht te wachten tot Irak zijn kernwapens en antraxbommen heeft – en ze afvuurt op zijn buren, of op ons?

Zulke vragen zijn nauwelijks te beantwoorden. De discussie gaat sinds 11 september ook niet meer over het comfortabel geformuleerde onderscheid tussen een ontoelaatbare preventieve en een acceptabele preëmptieve oorlog. Er blijkt een intellectueel en moreel vacuüm tussen beide te bestaan, waarin gekozen presidenten en schurkenleiders kunnen opereren. Om de laatsten te stoppen, moeten de eersten soms toeslaan.

Het middel is erger dan de kwaal.

Dit (tegen)argument is eveneens ontleend aan de augustinische criteria voor een rechtvaardige oorlog. Het gaat om het proportionaliteitsbeginsel: de ellende van de oorlog mag niet al te gek veel groter zijn dan de ellende die ermee wordt bestreden.

Of dat in dit geval zo is, weet niemand. Feit is: Saddam heeft er domweg belang bij dat het een vuile oorlog wordt. Want dan vindt hij in de westerse publieke opinie een machtige bondgenoot, niemand wil echt bloed op zijn scherm zien.

Anti-oorlogsactivisten wijzen dan ook terecht op het gevaar dat Saddam Hoessein zijn biologische en chemische wapens zal inzetten als zijn eigen leven op het spel komt te staan. Daarbij zullen veel slachtoffers vallen, niet alleen onder militairen maar ook onder burgers. Het is verder helemaal niet uitgesloten dat hij deze wapens wel tegen de Iraakse sjiieten en Koerden in zal zetten, en niet tegen de Amerikanen. Onder het voorwendsel dat collaboranten hard moeten worden aangepakt – zoals hij eerder zijn woede over de nederlaag in de eerste Golfoorlog na afloop op hen afreageerde. Vervolgens zou Saddam de wereld kunnen voorhouden dat hij pas stopt met zijn massamoorden als de Verenigde Staten Desert Storm II afblazen.

Ook op andere wijze kan Saddam Hoessein de gevolgen van een oorlog hevig verergeren. Het is zeker dat hij luchtafweerstellingen op daken van hotels heeft geplaatst, en commandoposten midden in bevolkingscentra. De Verenigde Staten blijven volhouden dat Saddam kelders onder moskeeën, parkeergarages en ziekenhuizen heeft volgepropt met verboden wapens. De VS zullen die moeten uitschakelen, en daarbij zullen – wederom – burgerslachtoffers vallen.

Wat ook kan: vluchtelingen naar de grenzen sturen – het zal Saddam niet zijn ontgaan dat Milosevic in de Kosovo-oorlog naar dat middel greep. Een ecologisch drama, door het in brand zetten van zijn eigen oliebronnen, zou het afgrijzen tegen de oorlog verder aanwakkeren.

Maar zijn reële gevaren ook een goed argument tegen oorlog? Moet het moedwillig opvoeren van het leed op het conto van de landen worden geschreven die de dictator juist willen aanpakken? Dan wordt leed een verdedigingswapen van dictators.

De voorstanders van een aanval hebben in dezen echter ook geen sterke zaak. De Verenigde Staten hebben gezegd dat ze, wanneer Saddam zijn eigen bevolking aanvalt, te hulp zullen schieten met voedsel en militaire bescherming. Het is maar de vraag of dat waar is – of gewoon propaganda. In 1991 kozen de Amerikanen na hun overwinning voor een snelle aftocht met confetti in New York. Onder hun ogen werden de sjiieten in het zuiden door Iraakse helikopters afgeschoten. De Verenigde Staten hadden dat makkelijk tegen kunnen houden, met een vliegverbod voor Iraakse helikopters. Maar daar was de toenmalige bevelhebber Norman Schwarzkopf helemaal niet in geïnteresseerd. Die helikopters waren toch no match voor zijn vliegtuigen.

De Iraakse sjiieten zijn het niet vergeten.

Ander argument van de tegenstanders: Saddam Hoessein kan proberen de oorlog te 'exporteren'. Bijvoorbeeld door Koeweit met raketten onder vuur te nemen. Vice-premier Tareq Aziz, onlangs nog biddend voor de vrede in het Italiaanse Assisi (de geboorteplaats van Sint-Franciscus) en aanpappend met de paus, dreigde daar eind januari openlijk mee. Of door, met meer succes dan in 1991, nog een Scud-raket, geladen met een liter van de 8500 liter antrax die de inspecteurs nog niet hebben gevonden, of een van de 6500 niet-opgegeven bommen, naar Tel Aviv te schieten. Israël heeft in oktober 2002 al gezegd dat het dan – anders dan de vorige keer – wél terug zal slaan. En president Bush heeft gezegd dat hij 'daar begrip voor zou hebben'. Maar wie is dan verantwoordelijk voor de escalatie, de Verenigde Staten of Irak?

Laatste argument tégen: een Amerikaanse interventie moedigt het internationale terrorisme aan om wraak te nemen. Dit impliceert dat, zelfs áls niemand aan een rechtvaardige oorlog tegen Irak twijfelt, we er toch maar beter niet aan kunnen beginnen. Geen sterke redenering: dan accepteren we dus beide gevaren, in plaats van het ene te bedwingen en het andere (het terrorisme, voor zover gesteund door Irak) daarmee wellicht te verminderen. Een regelrechte uitnodiging tot chantage.

De Amerikanen liegen over een 'snelle, schone oorlog'.

Wie de aanval om deze reden afwijst, zou gelijk kunnen krijgen. Vanuit Washington klinken weliswaar aanhoudende bezweringen over aanvallen met chirurgische precisie, maar het zijn vooral Pentagon-ambtenaren en freaks van de talloze conservatieve denktanks die aan zulk overoptimisme lijden.

De landmachtmilitairen en hun politieke vertegenwoordigers maken het niet mooier dan het is. Een legerman als Colin Powell heeft een grondige hekel aan civilian assholes als Rumsfeld en Wolfowitz, die nooit in een Vietcong-hinderlaag zijn beland. Hij weet als geen ander dat we ons geen enkele illusie moeten maken over een 'schone' oorlog.

Amerikanen, vindt Powell, moeten alleen een oorlog beginnen als de zege bij voorbaat totaal vaststaat. Het zal de eerste dagen dan ook bommen regenen op Irak. Bagdad moet overweldigd worden, zo efficiënt mogelijk en zonder al te grote risico's. Dat heeft een prijs. Dat slimme bommen van grote afstand gelanceerd kunnen worden, zorgt ervoor dat de Amerikaanse piloten die ze vervoeren geen gevaar lopen, maar de bevolking van Irak natuurlijk wel. Deze bommen kunnen verkeerde coördinaten ingeprogrammeerd krijgen. En ook als dat niet gebeurt, hebben ze nog steeds een afwijking van tien meter. Dat is soms net het verschil tussen een bunker en een kinderdagverblijf.

Als de oorlog een beetje tegenzit, wordt het allemaal nog minder 'schoon'. Dan schakelt bevelhebber Tommy Franks over op oude methoden, voorzien van neutraal klinkende nieuwe namen. Dan worden tapijtbombardementen uitgevoerd op de Republikeinse Garde, wat eufemistisch het 'neutraliseren van lagedichtheidsdoelen' heet. Ook zullen B-52's clusterbommen, grote bommen gevuld met kleine granaten, af gaan werpen. Die zullen geadministreerd worden als 'gecombineerdeffectwapens': ze doden gardisten én burgers, en ze vernietigen gebouwen.

Maar ook zij die geloven in een schone strijd, hebben een punt. Wij proberen wel degelijk op een humanitaire manier oorlog te voeren, is de stelling van Amerika. En de Verenigde Staten hebben daar ook belang bij. Zoals Saddam door het veroorzaken van leed de publieke opinie mee hoopt te krijgen, mikken de VS op: zo min mogelijk bloed op Al Jazeera en CNN. En door hun efficiënte wapentechnologie kunnen ze een heel eind komen.

In de Tweede Wereldoorlog waren negenduizend Amerikaanse bommen nodig om één enkel doel uit te schakelen. De rest zwaaide af. In Korea en Vietnam ging het al beter, er waren toen 175 bommen nodig om er zeker van te zijn dat een doel was vernietigd. Tijdens Desert Storm I, twaalf jaar geleden, kondigde generaal Schwarzkopf op de televisie glunderend de schone oorlog af, maar na afloop bleek dat per uitgeschakeld doel toch altijd nog vijfentwintig bommen nodig waren geweest.

Dat veranderde pas echt door het gebruik van de huidige slimme bommen, op afstand bestuurd via een satelliet: in Afghanistan waren nog maar twee bommen per doel nodig. En hoe vreemd het ook klinkt, de Verenigde Staten hebben plannen om in Irak bommen in te zetten die géén slachtoffers maken. Waarom een zware bom op een elektriciteitscentrale werpen als je met een ultrakortegolfwapen de computer van die centrale compleet lam kunt leggen? Als het ook nog lukt om de stroomtoevoer naar Saddams commandocentra te blokkeren en tegelijkertijd de elektriciteitsvoorziening van couveusekamers in ziekenhuizen te ontzien, mag de uitvinder van deze 'kortsluitingsbom' gaan dromen van de Nobelprijs voor de vrede.

Zelfs als Amerikaanse bataljons na de bombardementen Bagdad wijk voor wijk moeten veroveren, kan het aantal slachtoffers volgens de Verenigde Staten beperkt blijven. Zoekend naar de grenzen van het oorlogsrecht experimenteren ze met magnetronwapens (die de opperhuid van mensen doet zinderen, maar geen slachtoffers zou eisen) en laserwapens (die slachtoffers verblinden en paniek veroorzaken). Twee weken geleden zinspeelde Rumsfeld ook op het gebruik van verdovingsgassen.

Al met al lijkt de claim van de tegenstanders – vijfhonderdduizend doden – alleen al vanwege het ronde getal eerder fantasie (of demagogie) dan een redelijke schatting. Tijdens Desert Storm I viel een onwaarschijnlijk laag aantal slachtoffers: 3600. Inclusief Irakezen. Ook in Joegoslavië en Afghanistan was het aantal doden, aan beide zijden, heel laag. Saddam Hoessein zelf heeft in de oorlogen die hij tegen Iran, Koeweit en zijn eigen bevolking heeft gevoerd, aanzienlijk meer slachtoffers gemaakt.

Het gaat de Amerikanen alleen maar om olie.

Zelfs Nelson Mandela is ervan overtuigd, bleek onlangs. Maar is het daarom waar? Eerst maar even in herinnering brengen dat de behoefte aan olie de laatste jaren nooit een verklaring was voor Amerikaans militair ingrijpen. De interventies in Somalië, Bosnië en Afghanistan hadden andere redenen, evenals de sluimerende anti-terrorismeoorlogen in de Filippijnse en Colombiaanse jungle en de Jemenitische woestijn. En de 37.000 militairen die in Zuid-Korea onder vuur kunnen komen te liggen van Kim Yong Il's raketten, bewaken ook geen olie.

Oliebelangen dicteren eerder het Europese dan het Amerikaanse gedrag. Na de oliecrisis in 1973 trotseerden de Verenigde Staten het embargo van de radicale olielanden; Washington zwichtte niet voor politieke chantage. Frankrijk, dat zich nu opwerpt als kampioen van de internationale rechtsorde, deed dat wel. Het gooide het op een akkoordje met Irak, en oefende zo veel druk uit op andere Europese landen dat die in het Midden-Oosten-conflict opschoven naar een pro-Arabisch standpunt. Nederland schoof mee, en ging militaire apparatuur leveren aan landen als Irak en Libië.

Natuurlijk zouden de tegenstanders van oorlog het bij het rechte eind kunnen hebben, en gaat het de Amerikanen in dit geval wél om het zwarte goud. Maar experts honen dat in de Britse krant de Financial Times compleet weg. Het is voor Amerika niet lonend om zich meester te maken van de Iraakse olievoorraad – de opbrengsten zouden nauwelijks hoger zijn dan de kosten van de oorlog, die op 140 miljard dollar kunnen uitkomen. De gemiddelde Amerikaan zou aan de uitbreiding van de olieproductie per jaar honderd dollar kunnen overhouden, in de vorm van lagere olieprijzen. Daar komt hij zijn stoel niet voor uit.

Maar, zeggen aanhangers van de olietheorie, je kunt het ook anders benaderen. Ook al levert de verovering van Irak de Verenigde Staten weinig op, het land krijgt wel de strategische controle over twee derde van 's werelds olie – de totale voorraad in de Golf.

Dat is zeker waar. Maar het alternatief is dat de Iraakse dictator, met wellicht een voorraad massavernietigingswapens en in ieder geval het geld om die snel (weer) te ontwikkelen, blijft proberen om diezelfde voorraad te controleren. Oliedom om het zo ver te laten komen.





  • Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
  • Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
  • Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
  • Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
  • Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?