Vrij Nederland Buitenlands correspondent met overgave

Met een gehaast 'ik moet nu echt weg en ik bel je morgen zodra we in Dili zijn' beëindigde Sander Thoenes maandagavond 20 september het overleg over zijn verslaggeving uit Oost-Timor. Wij moesten ons niet ongerust maken als hij moeilijk te bereiken was, hij zou om de batterijen te sparen zijn mobiele telefoon slechts af en toe aanzetten. 'Maar ik bel je hoe dan ook.'

Dat ene telefoontje van hem kwam niet meer.

Kort na aankomst stierf hij in een buitenwijk van Dili een snelle, gewelddadige dood. Voor zijn familie en vriend is een zwaarder verlies niet denkbaar en wij rouwen met hen mee. De internationale en nationale reacties - van VN-secretaris-generaal Kofi Annan en minister-president Wim Kok - worden door de familie van Sander Thoenes, maar ook door de Financial Times en Vrij Nederland als hartverwarmend beschouwd.

Voor kranten en weekbladen als de Financial Times en Vrij Nederland is de gewelddadige dood van een buitenlands correspondent - en dat was Sander Thoenes met volle overgave - een zwarte bladzijde in hun geschiedenis.

Een correspondent vormt de ogen en oren van een nieuwsorganisatie in veraf gelegen, soms gevaarlijke gebieden. Het verlies van een correspondent raakt dan ook iedereen bij de twee bladen. Sander voerde die dinsdag een race tegen de klok. Hij wilde per se voor het invallen van de duisternis voldoende van Dili gezien hebben om de lezers van de Financial Times en Vrij Nederland een betrouwbare indruk te geven van de toestand na de komst van de VN-vredesmacht. Energiek en bevlogen als hij was wilde hij de deadlines in Londen en Amsterdam halen.

Sinds de publicatie van zijn eerste verhaal in Vrij Nederland van 9 oktober 1993 had hij zich doen kennen als een journalist die van zijn werk hield en gefascineerd was door de wereld van zijn achtereenvolgende standplaatsen: Moskou, Centraal-Azië en Indonesië. De werkelijk goede correspondenten zijn herkenbaar aan hun stukken: goed geschreven, intelligent, afstandelijk, zonder vooringenomenheid, maar altijd blijk gevend van grote interesse in een land en een volk. Anders gezegd, uit zijn reportages bleek steeds opnieuw dat hij zijn werk met groot enthousiasme en plezier deed en ooit heeft hij zijn verbazing uitgesproken over het feit dat hij daar nog voor betaald werd ook.

Hij maakte fietstochten door brandend Moskou, hij reisde langs moskeeën en madrasahs, bazaars en boerderijen, de demonstraties en drugscontroles in de voormalige Sovjet-republieken. In zijn standplaatsen bouwde hij vriendenkringen op die hem toegang verschaften tot werelden van gevoelens, gedachten en ambities. Zowel in Moskou als in Jakarta ergerde hij zich aan corruptie, uitbuiting en schending van mensenrechten. Zijn boosheid kanaliseerde hij door daarover te schrijven op een geserreerde wijze, een opgeheven vingertje liet hij zelden zien.

Zijn besluit om voor de tweede maal naar Dili, Oost-Timor, te reizen was ingegeven door de wens wereldnieuws te verslaan, maar hij was ook van plan te schrijven over de vluchtelingenkampen. Sander was geen oorlogsverslaggever, maar had wel de noodzakelijke ervaring opgedaan met het werken in riskante gebieden. Hij was geen waaghals en hoefde van zijn werkgevers niet naar de frontlinies. Hij dacht net als tientallen andere correspondenten en hun hoofdredacties dat met de komst van de Australische vredesmacht de situatie in Oost-Timor onder controle was gekomen. De indruk was ontstaan dat de pro-Indonesische milities hun terreurcampagnes hadden gestaakt als gevolg van de aanwezigheid van de Australische troepen. Dat is een tragische misrekening gebleken, die vooral ook voor hoofdredacties een les is. Nog grotere voorzichtigheid en nog meer informatie zijn noodzakelijk alvorens verslaggevers naar brandhaarden te sturen.

Naar de moord op Sander wordt nu een internationaal onderzoek ingesteld. De voortvarendheid waarmee de Verenigde Naties en de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken, Van Aartsen aan de organisatie van dat onderzoek werken, wekt de hoop dat de daders zullen worden opgepakt en berecht. Dat onderzoek moet worden uitgevoerd, ondanks de laag gespannen verwachtingen. Het is een eerbetoon aan een journalist die niets meer of minder wilde doen dan de wereld vertellen over de internationale inspanningen vrede te stichten op Oost-Timor.

Wij hadden graag nog talrijke reportages, interviews en analyses van zijn hand willen afdrukken.

02-10-1999