VN MediagidsBig Brotherhuis Amerika, Iedereen is verdacht
Samenleving 24.09.2005
24-09-2005
Door Rudie Kagie
In de Oorlog tegen Terreur zet de Amerikaanse overheid alle denkbare middelen in. Burgers worden op enorme schaal in de gaten gehouden. ‘Een sciencefictionschrijver had dit twintig jaar geleden niet kunnen bedenken.’
Voortrazend door ondergronds New York is Jim Steward dermate in de lectuur van Bible Fraud verdiept, dat hij geen oog heeft voor drie geüniformeerde mannen die in de coupé van het metrostel voor hem staan. ‘Checking bags, please!’ Alle passagiers moeten een inkijkoperatie in hun bezittingen toestaan. ‘Wat is dit?’ vraagt een van de inspecteurs, terwijl hij Bible Fraud omhoog steekt. Na vluchtig doorbladeren stelt de functionaris vast dat het een werkje van onchristelijke signatuur betreft. ‘Het spijt me, maar ik zal dit boek in beslag moeten nemen,’ zegt hij. Steward sputtert over vrijheid van drukpers en vrijheid van meningsuiting. Andere reizigers vallen hem verontwaardigd bij, de drie bagagesnuffelaars zonderen zich af om te overleggen, even later krijgt Jim Steward zijn boek terug.
Dit tafereel speelde zich een jaar geleden af. Nerveuze autoriteiten hadden toen een pakket tijdelijke maatregelen verordonneerd om verstoring van de openbare orde voor de korte duur van de Republikeinse Conventie tot een minimum te beperken. Een weekje maar, daarna werd de noodtoestand opgeheven. Alle partijen moesten aan de situatie wennen, ook de uitzendkracht die de richtlijnen te fanatiek uitvoerde.
Wat een jaar geleden nog een ‘experiment’ was, werd per 1 augustus jongstleden tot beleid verheven. Bij de ingang van de vier grootste metrostations van New York kan elke voorbijganger door het bevoegd gezag gesommeerd worden de tas om te keren. Volgens een enquête heeft driekwart van de plaatselijke bevolking begrip voor deze controle, want ach, op het vliegveld gebeurt dat toch ook? In tijden van dreigende terreur vindt een meerderheid het vanzelfsprekend om wat privacy in te leveren.
De bedenkingen komen van de zeventiende verdieping in Broad Street, waar de New York Civil Liberties Union kantoor houdt. ‘Wat nu gebeurt, kan absoluut niet,’ zegt directeur Donna Lieberman. ‘De autoriteiten h ebben het recht niet om miljoenen onschuldige burgers aan een onderzoek te onderwerpen. De politie is alleen gemachtigd om een persoon staande te houden bij een vermoeden dat die schuldig is aan een misdrijf.’ De unie voor burgerlijke vrijheden is bezig het nieuwe beleid juridisch aan te vechten. ‘Het gaat ons om het principe,’ vervolgt Lieberman. ‘Tegen preventie hebben we geen enkel bezwaar. Maar iederéén tot verdachte verklaren, gaat te ver.’
Toen kort na 9/11 overal in de Verenigde Staten moslims werden opgepakt, tekende de Civil Liberties Union bezwaar aan tegen het ‘racistische karakter’ van de razzia’s. Vier jaar later heeft de Oorlog tegen Terreur Amerika in één groot Big Brother-huis veranderd. Tegenwoordig is iedereen een potentiële verdachte en dus wordt iedereen in de gaten gehouden. Dat druist in tegen de Amerikaanse grondwet, maar het gebeurt.
Om herkenning te vergemakkelijken, mailde Richard Smith een foto van zichzelf. Het had niet gehoeven: in de ochtendspits van het station Grand Central in New York valt zijn hoogst onopvallende verschijning direct op. Zo neutraal ziet alleen een nerd na dertig tropenjaren in de computerbranche eruit. Smith weet alles van microprocessors; hij hielp ze in een pril stadium ontwikkelen. Begin jaren negentig ontdekte hij dat het voor providers een koud kunstje is om internetgebruikers via web bugs te identificeren. Hij onthulde de unieke seriecodes die Microsoft en Intel in hun producten verstoppen zodat ze over de schouder van de klant kunnen meelezen. Als eigenaar van twee softwarebedrijven verdiende Smith een fortuin aan de digitale opmars – totdat hij ontdekte dat de hoogwaardige technologie zich allengs grimmiger tegen het belang van de mensheid keert. Smith wilde niet langer meewerken aan ‘inhumane praktijken’ en besloot daags voor de millenniumwisseling zijn imperium te verkopen. Als directeur van de Privacy Foundation ging hij voortaan het belang van de bespiede consument dienen, maar in november 2001 trok hij zich al weer terug uit die functie. Anderhalve maand na de aanslagen van 11 september concludeerde Smith dat de bedreigde privacy niet langer het voornaamste is waar de burger zich zorgen over dient te maken. Er is iets veel ernstigers aan de hand. Bij de internationale klopjacht op het fundamentalistische gespuis hebben opsporingsdiensten hun werkterrein uitgebreid tot de totale bevolking. ‘This is beyond Big Brother,’ stelt Smith. Hij werd een eenzaam roepende in cyberspace.
In de stationshal wijst hij op de bonte variatie aan uniformen te midden van de zich naar de perrons haastende passagiers. Het wemelt van de politieagenten: National Guards in groenbruin gevlekte camouflagepakken, marshalls met breed omrande hoeden, zwartgeklede guards met kogelvrije vesten en aangelijnde snuffelhonden. En o ja, ginds bij het hek is een speciale brigade bezig bagage te inspecteren. ‘Dit is alleen het zichtbare deel van de controle,’ verzucht Smith. ‘Intussen worden we met geraffineerde middelen op enorme schaal digitaal in de gaten gehouden.’
Zo’n tien jaar geleden verzekerde Smith zich in zijn buitenhuis op het schiereiland Cape Cod per schotelantenne van de ontvangst van satelliettelevisie. ‘Dat was het begin van mijn huidige fascinatie,’ legt hij uit. ‘Nadat je naam en adres hebt opgegeven om beelden uit de lucht te plukken, kan de afzender van de signalen nagaan wie naar welke programma’s kijkt. Er bestaat ongetwijfeld een databestand van Amerikanen die de uitzendingen van Al Jazeera volgen, op internet of via de satelliet. Nog eenvoudiger is dat te controleren bij pay-per-view, betaal-tv, waarbij voor elk bekeken programma een bedrag van de credit card wordt afgeschreven. Dankzij de voortschrijdende technologie is het een fluitje van een cent om interesses van individuen in kaart te brengen. De New York Times kan nagaan wie welk artikel op de website leest. Toen informatie nog via drukwerk, radio en televisie werd verspreid, hoefde geen consument bang te zijn dat anderen er achter zouden komen welke artikelen of programma’s hij tot zich nam. Nu is dat een object van permanent onderzoek. We staan aan het begin van een griezelige ontwikkeling. De normvervaging bij het binnendringen van de persoonlijke levenssfeer begon ooit bij het nieuwsgierige bedrijfsleven dat de belangstelling van zijn klanten wilde peilen. Marktonderzoekers begonnen enorme hoeveelheden particuliere gegevens te verzamelen en te bewaren. Tegenwoordig werken die bureaus nauw samen met de overheid. In feite zijn het geprivatiseerde inlichtingendiensten geworden. De pietluttigste persoonlijke details worden opgeslagen. Het kán, dus gebeurt het.’
De gretigheid waarmee Uncle Sam de antecedenten registreert van iedereen die zijn pad kruist, kan ook de Nederlandse bezoeker aan de Verenigde Staten onmogelijk ontgaan. Het vliegtuig is nauwelijks geland of er volgt drie keer het verzoek om voor een digitaal portret te poseren. Te beginnen op de luchthaven waar de paspoortcontrole sinds vorig jaar gepaard gaat met het nemen van vingerafdruk en kiekje. Paar uur later: de functionaris van het Foreign Press Office in New York verwelkomt elke buitenlandse journalist met een schouderklopje, maar ter afronding van de formaliteiten vraagt hij de nieuwkomer om even op het vogeltje in de lens te letten. In het voorbijgaan binnenlopen bij de Public Library aan 42nd Street behoorde altijd tot de charmes van deze stad, maar dat gaat tegenwoordig zomaar niet. Daar hoort een pasje bij met een ter plekke te vervaardigen foto.
Waar al die foto’s blijven, is een raadsel. ‘ Die worden net zo lang bewaard als nodig is,’ weet Richard Smith. ‘De inhoud van dat reusachtige fotoarchief functioneert zoals de bonuskaart van de supermarkt. De magneetstrip op zo’n kaart vertelt alles over het koopgedrag van een bepaalde klant. Voor negenennegentig procent is dat nutteloze informatie, maar de supermarktketen vindt het prettig om die gegevens achter de hand te houden. De geavanceerde apparatuur maakt allerlei vormen van persoonsregistratie heel eenvoudig, dus waarom zou je daar geen gebruik van maken?’
Aan tal van moderne snufjes die het leven van de consument veraangenamen, zit een keerzijde waar slechts weinigen zich van bewust zijn. Smith wijst op de computergestuurde navigatietechniek die de automobilist op een plattegrondschermpje de weg wijst. Handig, maar dit vernuft staat wél in verbinding met een satelliet die het mogelijk maakt de afgelegde route op afstand te volgen. Ander voorbeeld. Producenten van mobiele telefoons moeten volgens wettelijk voorschrift hun apparaatjes tegenwoordig uitrusten met het global positioning system (GPS), opdat de alarmcentrale van politie, brandweer of ambulance de beller in nood onmiddellijk weet te lokaliseren. ‘Het GPS werkt als een chip die Big Brother in staat stelt om miljarden kleine broertjes en zusjes te traceren, ongeacht waar die zich op dat moment op de wereld bevinden.’ Zelfs de populaire Starbuck-vestigingen bieden geen beschutting tegen pottenkijkers. Onder het waakzaam oog van beveiligingscamera’s klappen cafeïneverslaafden er hun laptop open en beginnen onbekommerd draadloos te internetten. ‘Zeer onveilig, bij dat WiFi-systeem lukt het bijna altijd om binnen een straal van een paar honderd meter iemands verrichtingen op de computer te volgen,’ weet Smith.
In een nis van de hal van Grand Central wijst hij op een wit kastje, nog nat van de verf, met een metalen kapje aan de bovenkant. ‘Volgens mij is dit een sensor om verdachte chemicaliën op te sporen. Het zou interessant zijn om te zien wat er gebeurt als we er een foto van maken. Waarschijnlijk worden we dan meteen in de boeien geslagen. Het wemelt hier van de observatiecamera’s.’
Ook achter de spiegelwand bij de automaat voor metrokaartjes gaat ongetwijfeld een videocamera schuil. Zoals in veel Amerikaanse steden schafte het openbaar vervoer in New York jaren geleden de muntjes af die nodig waren om de tourniquetten van de stations te passeren. Daar kwam een kaartje met een magneetstrip voor in de plaats. Wie een nieuwe nodig heeft, stapt op de automaat af en trekt zijn creditcard. ‘Geen gebruiker realiseert zich hoeveel informatie hij daarmee van zichzelf prijsgeeft,’ vervolgt Smith. ‘Als het magnetisch veld van het vervoerbewijs contact maakt met de machine bij het toegangshekje, vindt er registratie plaats. Voeg daar de naam aan toe die op de creditcard staat en je weet precies waar en wanneer meneer X op de metro is gestapt. Dit zijn scenario’s die een schrijver van sciencefiction twintig jaar geleden niet had kunnen bedenken. We wisten al dat privacy in het computertijdperk een farce is. We dachten dat digitale spionage in theorie mogelijk was, maar we gingen ervan uit dat onze overheid te fatsoenlijk was om die mogelijkheden in praktijk toe te passen. Daar ben ik niet meer van overtuigd, nu in de Oorlog tegen Terreur alle denkbare middelen worden ingezet.’
In het monumentale hoofdkwartier van de Metropolitan Transportation Authority in Brooklyn laat een zaal met genodigden zich informeren over de nieuwste kneepjes van het beveiligingsvak. Het vervoerbedrijf gaat het risico op een zelfmoordaanslag in de New Yorkse metro verkleinen. Directeur Katherine Lapp kondigt aan dat de 591 miljoen dollar die voor dit doel al drie jaar op de begroting staat, eindelijk een nuttige bestemming krijgt. Pas na de dramatische bomexplosie in Londen op 2 juli dit jaar kwam er schot in de zaak. Toen kreeg het bedrijfsleven drie weken de tijd om voorstellen voor een terreurbestendige New Yorkse metro in te dienen. Van de drie kandidaten bleef uiteindelijk Lockheed Martin over, die nu voor 212 miljoen dollar de perrons mag optuigen met duizend hoogwaardige videocamera’s en drieduizend motion scanners.
Lockheed, dat was toch die gevechtsvliegtuigenfabrikant die ooit Victor Baarn alias ZKH Prins Bernhard 1,1 miljoen gulden smeergeld toestopte? Jawel, maar sinds de Verenigde Staten de oorlog aan het terrorisme verklaarden, popelt Lockheed Martin om de vijand ook vanaf de grond te verslaan. De twee jaar geleden opgerichte divisie Transportation and Security Solutions draait overuren om stations in binnen- en buitenland te wapenen tegen meerijders die de boel willen opblazen. Uit twee leerzame videofilmpjes begrijpt het gezelschap vanmiddag hoe alert het metrosysteem binnenkort op onraad zal reageren. Scenario één: verdachte poogt zich met een ongeldig personeelspasje toegang te verschaffen tot een van de onderaardse zenuwcentra. In dat geval slaat de computer alarm, lokaliseert het vergrijp en brengt de indringer via het gesloten televisiecircuit in beeld. Scenario twee: op een perron in Midtown Manhattan signaleert het geavanceerde camerasysteem een onbewaakte tas. Op niet-bewegende objecten die geen deel uitmaken van de vaste omgeving wordt namelijk automatisch ingezoemd. Vervolgens komen de ijlings opgetrommelde explosievenexperts in actie. Vraag uit de zaal: maar wat als die onbewaakte tas bijvoorbeeld achter een pilaar wordt gezet? ‘Dan hebben we inderdaad een probleem,’ erkent metro-directeur Katherine Lapp. ‘Ook als die bom in een prullenbak wordt gezet, kunnen onze camera’s dat niet registreren. Het aantal prullenbakken op de perrons wordt dan ook drastisch verminderd.’
Er zijn al 5.700 camera’s op het videosysteem in de metro van New York aangesloten, maar daar komt flink wat bij. In haar werkkamer bij de Civil Liberties Union zegt directeur Donna Lieberman dat ze ‘betwijfelt’ of al die camera’s de samenleving er inderdaad veiliger op maken. Vrijwilligers van haar organisatie trekken de straat op en turven nauwgezet hoeveel camera’s het openbare leven registreren. Donna Lieberman pakt de cijfers er even bij. ‘Hier,’ wijst ze, ‘in heel Chinatown hingen in 1998 dertien bewakingscamera’s. Volgens onze laatste telling zijn dat er nu meer dan zeshonderd.’ Maar is dat érg? De directeur ontwijkt het antwoord, ‘erg’ vindt ze niet het goede woord. Ze zegt: ‘De vraag is hoe effectief cameratoezicht is. Zowel de International Association of Chiefs of Police als de Amerikaanse Rekenkamer zetten daar vraagtekens bij. Tot nu toe is niet bewezen dat meer camera’s de kans op een terroristische aanslag verkleinen. Niemand lijkt zich af te vragen wat de invloed van een toenemend aantal camera’s op de persoonlijke levenssfeer is. Geruisloos worden ingrijpende maatregelen ingevoerd die het karakter van onze samenleving veranderen. We willen op zijn minst bereiken dat de burger zich van die geleidelijke transformatie bewust wordt. Een nationaal debat over alle voor- en nadelen van de Oorlog tegen Terreur zou prachtig zijn. Stukje bij beetje wordt de indivuele bewegingsvrijheid aan steeds meer beperkingen onderworpen. Daar komen we nooit meer vanaf.’
Omdat de Metropolitan Transportation Authority ook wel inziet dat de Lockheed-camera’s de zorg over een dreigende aanslag niet wegnemen, volgt eind dit jaar de bekendmaking van een serie aanvullende hightech maatregelen. Achter de schermen wordt hard gewerkt aan ‘biologische, chemische en radiologische opsporingstechnieken’.
De firma Visionics in Minnesota, gespecialiseerd in ‘biometrische technologie’, had het nooit eerder zo druk als in de laatste paar jaar. Kort na 11 september 2001 woonde Visionics-directeur Joseph Atick gedurende drie maanden in een hotel te Washington, waar hij zijn dagen vulde met het in de wacht slepen van opdrachten voor alle denkbare overheidsdiensten. Zijn bedrijf was tot dan toe gespecialiseerd in apparatuur voor het maken van vingerafdrukken, iris-scans en stemanalyse. Nu hoopt het definitief door te breken met FaceIt, oftewel: het ‘gezichtsherkenningsprogramma’, software die foto’s van gezochte personen koppelt aan bewakingscamera’s. Op de vliegvelden van Washington en Boston werd al met deze revolutionaire vinding geëxperimenteerd, maar dat leidde tot zóveel vals alarm en onterechte arrestaties dat het zinloos was om de proef voort te zetten. Tegen de tijd dat het product FaceIt zijn vervolmaking heeft bereikt, zullen de omvangrijke archieven met foto’s van Amerikaanse ingezetenen misschien eindelijk hun nut bewijzen.
De Privacy Act die het Amerikaanse Congres in 1974 aannam, moest verhinderen dat de geschiedenis zich zou herhalen. Ten tijde van de Koude Oorlog had de FBI onevenredig veel tijd vermorst aan het bespioneren en dwarsbomen van burgers die er wellicht communistische sympathieën op na hielden. Er was geen sprake van strafbare feiten, het ging om linkse burgers die werden vervolgd omdat hun ideeën afweken van het ideaal dat de regering voor ogen stond. In een land waar Vrijheid met een hoofdletter wordt geschreven, wierp de communistenjacht een smet op de naleving van de grondwet. Dit mocht nooit meer gebeuren. De Privacy Act bepaalde daarom ruim dertig jaar geleden dat overheidsdiensten niet mogen graven in het privéleven van onderdanen tegen wie geen strafrechtelijke verdenking bestaat.
Maar de toestand waarin de Verenigde Staten sinds de aanslagen verkeren, maakte het bevoegd gezag creatief. De wettelijke beperkingen worden op ongekende schaal omzeild of nietig verklaard. Praktisch geruisloos trad in 2001 de Combating Terrorism Act in werking die inlichtingendiensten de ruimere bevoegdheden verschaft waar de FBI al jarenlang vergeefs op had aangedrongen. De procedures voor het aftappen van telefoon- en internetverkeer zijn aanmerkelijk versoepeld. Vrijwel elke sector van het openbare leven – bibliotheken, boekhandels, postorderbedrijven, banken en bovenal: internetproviders – is sindsdien verplicht om alle gegevens te verstrekken die in de naam der wet worden opgevraagd. Minstens zo dramatisch is het effect van de USA Patriot Act, voluit getiteld: de Uniting and Strenghtening America by Providing Appropriate Tools Required to Intercept and Obstruct Terrorism Act. Gevolg: binnen een jaar verdwenen meer dan duizend buitenlanders achter Amerikaanse tralies, zonder dat een aanklacht tegen hen was ingediend en zonder dat hun identiteit werd geopenbaard. Duizenden moslims in het hele land werden heimelijk bespied. Hun telefoontjes, hun e-mails, hun betalingen per credit card – opeens was dat allemaal interessant.
In zijn boek No Place To Hide schetst Robert O’Harrow, de privacyredacteur van The Washington Post, een onthutsend beeld van een bedrijfstak die dankzij de Oorlog tegen Terreur miljarden incasseert. Hij beschrijft hoe gerenommeerde bureaus voor marktonderzoek en firma’s die de kredietwaardigheid van klanten vaststellen, werden verrast door lucratieve opdrachten van de overheid. Slimme zet. Die bedrijven kunnen volgens de wet veel dieper in het leven van particuliere burgers spitten dan gouvernementele inlichtingendiensten is toegestaan. Het zijn gouden tijden voor gespecialiseerde handelsondernemingen als Acxiom, ChoicePoint en Seisint.
Op bestelling leveren deze grossiers in databestanden een schat aan ogenschijnlijk triviale wetenswaardigheden over elk willekeurig individu. De computers hebben het per persoon keurig gerangschikt: alle abonnementen op kranten en tijdschriften, het merk auto, de opleiding, het creditcardnummer, het sofi-nummer, het adres, de favoriete website, de gezinssamenstelling, de vakantiebestemming. Zet die informatie onder elkaar en het is in één klap mogelijk om iemands ziel tot op de bodem te doorgronden. Advocaten, werkgevers of banken kopen dit soort profielen graag als ze nieuwsgierig zijn naar met wie ze beroepshalve te maken krijgen. Maar tegenwoordig is de Amerikaanse overheid de meest royale afnemer van deze digitale persoonsdossiers.
Een dag na de verwoesting van het World Trade Center lag er al een brief bij het Pentagon waarin ChoicePoint als ‘nation’s largest provider of online and on-demand records’ zijn diensten aanbood. Het bedrijf sloot een contract ter waarde van 68 miljoen dollar met de regering. Regeringsdiensten hebben sindsdien onbeperkt toegang tot het ChoicePoint-netwerk met talloze wetenswaardigheden over afzonderlijke burgers.
Seisint, groot geworden met rapporten over de solvabiliteit van klanten die aankloppen bij banken en verzekeringsmaatschappijen, bewaart twintig miljard privégegevens over de Amerikaanse bevolking. ‘The invisible become visible,’ adverteert het bedrijf. Het zogeheten Matrix-programma – van staatswege met acht miljoen dollar gefinancierd – mixt de inhoud van strafrechtelijke dossiers met feitjes die in het kader van permanent consumentenonderzoek worden vergaard. Dat levert interessante computeranalyses op waar terreurbestrijders wel raad mee weten.
Seisint-directeur Hank Asher werd in januari 2003 met egards op het Witte Huis ontvangen om zijn Matrix toe te lichten. Hij schudde bij die gelegenheid de hand van vice-president Dick Cheney, FBI-directeur Robert Mueller en Jeb Bush, gouverneur van Florida en broer van de president. ‘Erg kieskeurig bij het kiezen van bondgenoten in de strijd tegen het kwaad is onze regeringstop niet,’ merkt onderzoeksjournalist O’Harrow droogjes op in zijn boek. In zijn vrije tijd vloog Seisint-oprichter Asher namelijk als hartstochtelijk amateurpiloot zeven keer naar Columbia en Belize om drugs te smokkelen, al ontkent hij zijn beweerde bemoeienis met een complot om in Nicaragua de Sandinistische president Daniel Ortega om zeep te brengen.
‘Misschien heeft u nooit van Acxiom gehoord, maar Acxiom weet wel veel over u,’ houdt Robert O’Harrow zijn Amerikaanse lezers voor. Het bedrijf begon in 1972 met onderzoek naar ‘koopgedrag en lifestyle’ van consumenten, maar streeft sindsdien naar een ongebreidelde actieradius. In 2004 was de capaciteit van de Acxiom-computers een miljoen keer groter dan in 1983. Dankzij de gouden combinatie van hoogwaardige technologie en zicht op het bestedingspatroon van tweehonderd miljoen Amerikanen wist Acxiom eerder dan de inlichtingendiensten dat de vliegtuigkapers zich jarenlang van vervalste rijbewijzen en fictieve telefoonnummers bedienden. Adviseur van het concern is niemand minder dan de voormalige president Bill Clinton, die zich er persoonlijk voor inspande dat Acxiom in het kader van de strijd tegen het terrorisme een vette kluif kreeg toegeworpen. Zo controleert het bedrijf tegenwoordig of de namen van passagiers die een vlucht bij een Amerikaanse luchtmaatschappij boeken een verdachte match opleveren met de data die voor ‘marketingdoeleinden’ werden aangelegd.
‘Overheden nemen dit soort maatregelen graag van elkaar over,’ zegt Richard Smith, de Amerikaanse digitale waakhond. ‘Paspoortcontrole in Europa gaat nu nog niet vergezeld van het nemen van een foto en het achterlaten van een vingerafdruk, maar dat is ongetwijfeld een kwestie van tijd. Op een dag zal iets dergelijks bij jullie ook normaal zijn. In een aantal opzichten tast Europa de privacy van burgers zelfs ingrijpender aan dan in Amerika gebeurt. Dat wetsvoorstel dat nu bij de Europese Unie ligt om maandenlang de telefoon- en internetgegevens van elk individu te bewaren, zou in de Verenigde Staten geen schijn van kans maken. Nog niet. De autoriteiten voelen er ongetwijfeld voor, maar de tijd is niet rijp. Het is allemaal een kwestie van gewenning. Een bevolking die niet protesteert als iets van haar privacy wordt afgepakt, vindt uiteindelijk alles best.’
- Cannes Het filmfestival van Cannes is in volle gang. Wat zijn de beste films en de smakelijkste roddels?
- Sap of Dibi GroenLinks houdt een ledenreferendum. Wat is er eigenlijk te kiezen?
- Griekse verkiezingen Op 17 juni gaan de Grieken weer stemmen. De radicaal-linkse partij Syriza en de rechts-extremistische partij Gouden Dageraad doen het goed. Wat willen ze?
- Uit het zicht Steeds meer grote kunstwerken verdwijnen naar de huizen van rijke particulieren. Wat nu?
- Netneutraliteit Nederland heeft als eerste Europese land netneutaliteit in de wet verankerd. Maar wat is het eigenlijk?




