VN MediagidsWoordspelig
22.04.2006
Een conferentie in de Spaanse hoofdstad, een paar maanden geleden. De bomaanslagen in Madrid van 11 maart 2004 worden bediscussieerd, de moord op Theo van Gogh, de verschillende reacties in beide landen.
Het publiek bestaat grotendeels uit Madrilenen, die met een bewonderenswaardige terughoudendheid de calamiteiten bespreken – of moet je zeggen: met een verbazingwekkende onthechtheid? Mijn Pakistaanse buurvrouw denkt het laatste: ‘Als fundamentalistische christenen zoveel slachtoffers hadden gemaakt in Islamabad, was er nu geen conferentie geweest, maar een pogrom tegen alle christenen, een compleet bloedbad.’
De oudere Turkse diplomaat krijgt het woord, en dat zal hij gedurende vijftien minuten houden; minuten waarin met veel omhaal van woorden op overtuigende wijze niets wordt gezegd. Op zachte toon rangschikt hij de begrippen ‘respect’ ‘verzoening’ en ‘dialoog’ steeds net iets anders; soms leidt respect tot dialoog, soms dialoog tot verzoening en respect. De bomaanslagen zelf verdwijnen meteen uit zicht, bedekt als ze worden door de zachte, wollen deken van zijn woordspeligheid. De zaal geeuwt en rekt zich uit, de gebeurtenissen waar deze man het over heeft, hebben zich niet vlakbij afgespeeld, op nog geen kilometer afstand, maar op een andere planeet, waar de atmosfeer ijl is en onwerkelijk.
Dan leest de diplomaat de aanwezigen nog even de les: we mogen niet langer spreken over ‘islamitische terreur’, want dat is heel grievend voor gewone, aardige islamieten. En ook mogen we het niet hebben over ‘islamisten’ als we de diehards van de politieke islam bedoelen, want daarmee zou de islam zomaar in een verkeerd daglicht komen te staan.
Einde betoog. Blijde boodschap voor de aanwezige Madrilenen: pas op uw woorden, of u krijgt weer een bom op uw kop.
Ik dacht daar en toen de allerlaatste stuiptrekking mee te maken van een fenomeen dat we politieke correctheid zijn gaan noemen. Die term heb ik altijd gewantrouwd, want wat is die diskwalificatie vaak gemakzuchtig gebruikt. Met een schot hagel schieten op een niet bestaand konijn – daar leek het nog het meest op. Maar deze Turkse man, met zijn wezenloze praat en zijn gepatenteerde deftigheid, is geen verzinsel; integendeel, hier sprak de gevestigde macht, het establishment, zoals we dat vroeger noemden, en dat wilde vooral niet gestoord worden door onrustbarende feiten.
Nu lees ik in de krant dat Europese diplomaten bezig zijn precies het programma van deze Turkse spreker uit te voeren. In Brussel wordt gewerkt aan een lijst met woorden die beter vermeden kunnen worden. Een ‘katholieke’ index, omwille van de islamitische medemens: in plaats van over ‘islamitische terroristen’ zouden politici moeten spreken over ‘terroristen die de islam misbruiken’. En ook ‘jihad’ wordt een verboden woord, niet omdat de praktijk zo bloedig is, maar omdat het begrip ‘ook een vreedzame betekenis kan hebben’.
Het zou zo fijn zijn als de terroristen het zelf ook zo zagen, maar het tegendeel is het geval: de bommenleggers en granatengooiers vinden juist dat zij het programma van de zuivere islam uitvoeren. Geloof mensen op hun woorden en hun daden. Als de Islamitische Jihad een Israëlische schoolbus opblaast, zou dat misschien, hypothetisch gezien, een vreedzame betekenis kunnen hebben, maar het heeft dat dus niet.
Waar is de wijze Libanese journalist gebleven, die tijdens een tv-debat opmerkte: ‘Nee, natuurlijk zijn niet alle islamieten terroristen, maar we moeten ons afvragen waarom het overgrote deel van de terreur tegenwoordig islamitisch is.’
Anderhalve week geleden schreef Ayaan Hirsi Ali een groot artikel in de Volkskrant, waarin ze de Europese omgang met de radicale islam hekelde. Ze haalde er grote woorden bij, en nog grotere namen, Europa gedroeg zich als Chamberlain terwijl Winston Churchill ons voorbeeld had moeten zijn, appeasement was de praktijk, terwijl confrontatie broodnodig was.
Ik las het en dacht: tut, tut, nou, nou, van dik hout en snel thuis.
Een paar dagen later kwam het rapport uit van de WRR over Dynamiek in islamitisch activisme waarin met droge, wetenschappelijke ogen werd beweerd dat Nederland gematigde islamitische krachten moet ondersteunen zoals ‘de Moslimbroederschap in Egypte en de Hezbollah in Libanon’.
Wie zouden die wetenschappers eigenlijk nog radicaal noemen? Wordt het niet tijd ook Al Qaeda te beschouwen als een wat overenthousiast theologisch dispuut?
Het ziet er naar uit dat woordspeligheid het belangrijkste Europese wapen wordt tegen terreur.
‘Dit is geen bom,’ zeggen we tegen de bommen. Daar hebben ze vast niet van terug.
