VN MediagidsWoordenwisseling

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

25.08.2007

Door Stephan Sanders

Naarmate mijn moeder ouder werd, werd zij steeds meer pro gay – zozeer zelfs, dat ik haar eraan moest herinneren dat er toch ook echte klootzakken onder mijn seks- en soortgenoten zaten. Zij vond dat moeilijk te geloven, want ik was gay en de bloemenman die haar boeketten verzorgde trouwens ook, en dat was ook al zo’n schat.

In die tijd nam ik als uitwonend student wel eens vriendjes mee naar huis, losvaste, en als mijn moeder zo’n jongen dan twee keer had gezien en hij beviel haar, kon ze ineens tegen dat vriendje uitroepen: ‘Ik vind het meteen al zo vertrouwd, je bent gewoon een zoon van me.’

Dit alles natuurlijk bij wijze van spreken en hartelijk bedoeld, maar ik vond het maar niks, die gulle adoptiewaan waarmee moeder rondstrooide. Ten eerste is het beter als ouders niet te overenthousiast zijn over de geliefden van hun kinderen: laten ze desnoods in hun handen knijpen, lachen in hun vuistje, maar laten ze het niet van de daken roepen, want als zoon (of dochter) ruik je onmiddellijk onraad. Was je dan een probleemgeval en bestonden er zorgen dat je als muurbloem zou eindigen, zodat elke kandidaat als vanzelf de status kreeg van de uitgelezen kans? Het werkt seksueel ook remmend, die nadrukkelijke goedkeuring van ouders, in bed word je echt broertjes, en dat leidt tot veel gezelligheid en verder niks.

Maar het meest ergerde ik me aan het gemak waarmee moeder de positie van zoon weggaf. Was het zo eenvoudig die te verwerven? Een middagje glimlachend op de thee, verzorgde nagels en een klapzoen op de wang?

Moeder en ik hadden toch beiden werk verricht om elkaar zo te mogen noemen, zij had mij ontelbare keren het verdriet uit mijn hoofd gewreven, als ik door iets zeer kleins weer eens volkomen over de toeren was geraakt. En ik had nachtenlang wakker gelegen, omdat ik zeker wist dat ze dit keer dood zou gaan; zij in het ziekenhuis voor een rug- buik- of borstoperatie, ik dus bij elk ziekenhuisbezoek de meest zieke van ons twee.

Zo’n geleefde geschiedenis is niet zomaar te geef, daar moet je voor werken, die moet je verdienen. Ik was geshockeerd, zou ik nu deftig zeggen, door de contingentie waarmee ze onze verhouding opzadelde, alsof niet al in de boeken stond geschreven, dat ik haar zoon was, zij mijn moeder en anders niet.

Dat stond natuurlijk ook nergens, behalve in een toegevoegd terzijde bij mijn geboortebewijs: A nr. 1164 ‘Blijkens heden ingeschreven akte is het in nevenstaande akte vermelde kind sedert 1 juni 1967 geadopteerd door….’

Woorden, namen zijn niet om het even: je kunt niet straffeloos etiketten verwisselen, en volhouden dat de inhoud van het flesje, dat de betekenis van de relatie, dezelfde blijft.
Ongetwijfeld bedoelde bisschop Muskens het net zo hartelijk en joviaal als mijn moeder, toen hij zich hardop afvroeg waarom wij God voortaan geen Allah zouden noemen. Ja, waarom noemen wij een paard geen stoel? Je kan toch op beide zitten?

Het is een geste die schijnbaar royaal is, maar die uiteindelijk getuigt van een diepe onverschilligheid voor de geschiedenis die de verschillende woorden met zich meezeulen. In de jaren zeventig begonnen hippe pastores en andere op hol geslagen katholieken hun Heer ineens open en bloot aan te spreken met Jahweh: dat was bedoeld als teken van interreligieuze tolerantie, toenadering tot het jodendom en wat niet meer. Maar wat daar in een achternamiddag even de das om werd gedaan, was een duizenden jaar oude geschiedenis van heiligheid en onuitsprekelijkheid van de Naam, die nu losjes in de mond werd genomen door mensen die zich van geen kwaad en geen geschiedenis bewust waren. Zelfs het niet-geloven in God is geloof ik toch weer iets anders dan het niet-geloven in Allah.

Muskens’ onbekommerde uitroep, zegt hijzelf, is bedoeld om religieuze spanningen te verminderen. En weer spreekt hier de superieure nonchalance, dezelfde die in de jaren zeventig niet kon malen om het verschil tussen joden en christenen, of christenen en moslims, omdat het verschil bij voorbaat geannexeerd werd, ingelijfd in het eigen systeem, waarna de spreker als bonus ook nog eens de ruimhartigheid kon opstrijken. Allah is God. Tenslotte zijn we allemaal mensen. En moslims zijn eigenlijk een soort christenen, die, grappig is dat, een opmerkelijke voorkeur voor Mohammed aan de dag leggen.

Die hemeltergende achteloosheid – die is zoveel dodelijker dan welke doelbewuste belediging dan ook.