VN MediagidsWat denken die lui wel

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

19.04.2008

Door Stephan Sanders

Bij de derde ruzie, die niet alleen was ontstaan maar zich ook in een nauwelijks bij te benen tempo had ontwikkeld tijdens een mailcontact, begon het mij te dagen. Misschien is dit medium niet zo geschikt om kwesties uit te praten.

Misschien zijn die heen en weer gezonden kladversies van je gemoed, waarop de ander dan even korzelig reageert, wel de oorzaak van de escalatie. Het medium is niet neutraal, het stuurt, het hijst je in een keurslijf waarvan je je nauwelijks bewust bent.

Ik klink bijvoorbeeld pinnig in mijn mails, afgemeten – veel meer dan wanneer ik spreek of een brief schrijf. Op de een of andere manier sluipt er een haast en een slordigheid in mijn woorden, die ik normaal niet zou tolereren. Hoe komt dat? Deep down moet ik het gevoel hebben: mailschrijven is niet echt. Het zijn probeersels, ballonnetjes die je oplaat – het is zeker niet de definitieve versie. Maar goed, die onaffe gedachten worden wel verstuurd, en gelezen alsof God zelf er de handtekening onder heeft gezet.

Is mailen slecht? Nee, slecht mailgebruik is slecht. Ik ben er door schade en schande achter gekomen dat onschuldige kattenbelletjes heel geschikt zijn voor de mail, ‘zie je om 14.00, de Jaren, neem boek mee’, niets aan de hand. Maar zodra er werkelijk iets moet worden uitgesproken of rechtgezet, moet je met iemand praten, oog in oog, of een brief schrijven, want vreemd genoeg verscheur je dan wel de kladversies, en blijft er een gewogen resultaat over.

Het duurt even voordat we doorhebben hoe we de nieuwe technologie moeten gebruiken. Ik denk nu aan mijn oom, bijna negentig, die de telefoon nog steeds hanteert als een walkietalkie. De hoogst noodzakelijke mededelingen, in commandostijl gedicteerd, alsof hij een generaal is die aan het front staat en zijn manschappen kort maar krachtig instructie moet geven. Ik kan me niet voorstellen dat mijn oom langer dan een minuut belt. Ik constateer dit met enige melancholie, zeker als ik denk aan de mensen die in hun mobieltje leven, en voor wie het levensmotto opgaat: Ik spreek, dus ik besta. Er is veel te zeggen voor het dieet waarop mijn oom zichzelf heeft gezet. Maar een gesprek van mens tot mens, om het domineeachtig te zeggen, dat kan ook per telefoon. Alleen niet in tram of trein. Je hebt er een kamer voor nodig, rust, geen gejengel op de achtergrond, en een verbinding die niet de godganse tijd stoort.

Uiteindelijk komt het hier op neer: de technologische mogelijkheden zijn er, maar het juiste gebruik wordt er niet bijgeleverd. Dat moeten we proefondervindelijk uitzoeken, zodat we ons niet laten meeslepen door de techniek, als jonge zalm in een stroom, maar ook daadwerkelijk zelf de techniek bedienen.

Ik moet bekennen dat ik leedvermaak voelde toen bekend werd dat de site van Rita Verdonk, waarop het volk haar politieke wijsheid mocht demonstreren, binnen twee dagen moest sluiten omdat er een niet te stelpen bron van narigheid was aangeboord. ‘Sacha de Boer moet publiek bezit worden,’ dat soort gein. En in overstelpende mate. Uruzgan? Uruzgan? Lekker beffen zal je bedoelen.

Er gebeurt iets griezeligs met mensen, zodra ze zich anoniem kunnen uiten. Niet de democraat komt in ze boven, maar de demon. Kijk maar eens op web­sites van radio- of televisieprogramma’s waar het publiek mag reageren. Het is alsof je in de hel verzeild bent geraakt, de ene opmerking is nog schunniger dan de andere, het gilles-de-la-tourette­syndroom breekt collectief uit, de schaamte van Anja Meulenbelt is definitief verslagen.

Wat je daar voelt, terwijl je door de modder waadt, is ressentiment. Het ressentiment jegens al die mensen die wel op de televisie komen, wel mogen spreken op de radio en schrijven in de krant. Wat denken die lui wel, dat ze beter zijn of zo? Kop d’r af. Honkbalknuppel in z’n anus.

Er is geen enkele reden om aan te nemen dat politici op meer clementie mogen rekenen. Heel terecht spreekt de Amerikaanse publicist Andrew Keen over ‘de cultus van de amateur’. Op internet gedijt de haat tegen de professional, of-ie nu arts is, journalist of politicus. Het stomste wat zo’n expert kan doen, is zichzelf klein maken en bij voorbaat het boetekleed aantrekken. ‘Ik weet het ook niet, u moet mij helpen.’

Nee, vertel een verhaal, geef me uw visie, en ik mag dan kiezen welk perspectief mij overtuigt.
Weet u nog wat heel erg was, vroeger? Dat waren die onderwijzers die na een proefwerk aan je vroegen: ‘En wat denk je er zelf van?’