VN MediagidsVrouwenneuker
01.09.2007
Een familiebezoek aan Haarlem, waar mijn nichtje woont, behoorlijk studentikoos, met zo’n onmogelijk steile trap naar een kleine etage, maar dat komt mooi uit, want nichtje is student.
De toegang tot haar voordeur wordt geblokkeerd door een fiets, goed op slot gezet, maar wel versleepbaar; wij klaren het werkje en dan verschijnt de eigenaar. Nee, niet boos of scheldend, de eigenaar verontschuldigt zich, ik zeg even plichtmatig terug ‘ach, het is niet erg’, waarop de man weer: ‘Nee, het is wel erg. Het deugt niet, het is een fout, ik zou er eigenlijk voor gestraft moeten worden.’
De hyperbool is erg aan me besteed, ‘dat zou u wel graag zien, hè, dat wij u zouden straffen’. En net als het dollen dreigt te worden, vraagt de man: ‘Waar komt u vandaan?’
Enigszins overvallen noem ik Amsterdam, ‘maar ook geboren daar?’ vraagt hij verder, en ik antwoord naar eer en geweten: ‘Haarlem.’ Ik heb daar verder ook niets anders gedaan dan geboren worden, maar zo staat het in mijn paspoort.
Nu wordt er aan de andere kant even gepeinsd, en dan een conclusie getrokken: ‘Mijnheer zit in de kunsten, mijnheer is een Amsterdamse kunstenaar.’
Amsterdammer is geen scheldwoord, kunstenaar geen aantijging, maar op de een of andere manier voel ik me betrapt. Ik had daarnet nog de illusie dat ik een neutrale verschijning was, geen wandelend sandwichbord voor welke stad of beroepsgroep dan ook, gewoon, een man op weg naar zijn nichtje. Zie ik er artistiekerig uit, zijn de schoenen te modieus, ik dacht een willekeurige voorbijganger te zijn en nu ben ik plotseling een typisch voorbeeld.
‘Ik zag het meteen,’ roept de man mij nog hartelijk na, en ik zal het me die middag een paar keer afvragen: maar wat? Wat heeft ie dan gezien?
Hier stuiten we op twee ogenschijnlijk tegengestelde verlangens: je wilt niet compleet over het hoofd gezien worden zodat mensen over je struikelen als over een loszittende stoeptegel, maar je wilt toch ook geen uitgesproken exponent zijn van het een of ander. Ik zou het bijvoorbeeld niet prettig vinden wanneer onbekenden mij zagen en meteen dachten: o, een homo. Het is feitelijk waar, het mag ook best geweten worden, maar zomaar, lopend op straat, wil je niet de complete sociologie van je leven uitventen. Vroeger hoorde je je juist zo te gedragen dat niemand om die homoseksualiteit heen kon, ook niet als je gewoon andijvie afwoog bij de groenteafdeling van AH: de homobeweging was dan trots op je, en jij trots op jezelf, maar dat doorlopende demonstratieve leven, daar heb ik nooit enig heil in gezien.
Dat je een man bent, dat zien ze, je lengte en je leeftijd, die vallen ook niet altijd te neutraliseren. Maar iemand die me na zou roepen als ‘Bach-liefhebber’ – ik zou er ongemakkelijk van worden en het idee krijgen mijn privé te prostitueren.
In Zwolle, u hebt het ook gelezen, krijg je 220 euro boete als je ‘homo’ roept naar agenten. In een perfecte wereld zouden die agenten zich hooguit omdraaien, en zeggen: ‘Nou, dat treft,’ of ‘helaas, ik heb vele vrienden die zo zijn, maar zelf behelp ik mij met het andere geslacht’, en verder zou geen haan ernaar kraaien.
Maar waarom zou je iemand hardop ‘homo’ noemen? Alleen bij zeer kleine kinderen werkt het vertederend dat ze de dingen telkens bij hun naam noemen. Stoel, bal, ja weer een stoel. Bij volwassenen heet dat ‘stating the obvious’ en het is de genadeklap voor elke conversatie.
Het punt is, dat de agenten daar staan als wetsdienaren en niet als Heel de Mens, die ze in hun vrije tijd mogen wezen. Ook de agent die toevallig homo is, zal zich onheus bejegend voelen, want hij stond daar niet de seks, maar de wet te adverteren. En bovendien, de toon waarop dat ‘homo’ wordt gezegd, laat meestal niets te raden over.
In een ver verleden adviseerde de radicale homobeweging het volgende: als je voor flikker werd uitgescholden (wat we trouwens een geuzennaam vonden, mits enkel door onszelf gebruikt) dan moest je terugroepen: ‘Vieze vuile vrouwenneuker.’
Ik heb dat braaf gedaan en het effect was: een kort moment van verbijstering aan de andere kant, daarna hoongelach. Het werkte niet.
Alleen minderheden laten met zich sollen: de homo, de jood, maar de moslim al bijna niet meer. ‘Vuile moslim’, dat is bijna zoiets als ‘vieze CDA stemmer’.
Als er veel van zijn, is de lol eraf.
