VN MediagidsVisite
05.08.2006
In Nederland is Libanon al ver weg, maar toch krijg je de rampspoed er nog in afgemeten porties opgediend, of je nu wilt of niet, in ochtend- en avondkranten en korte nieuwsflitsen op de tv.
Alsof er een horzel gevangen zit in je achterhoofd: je loopt door de stad, zit op een terras, rent naar de metro, je bent, kortom, druk met wat we nu maar even ‘vredesactiviteiten’ noemen, en het gezoem houdt aan, niet overweldigend, maar wel hoorbaar, als de gefluisterde versie van het geweten.
Ik kan u vertellen, die fluistertoon heeft een beperkt bereik, en is bijvoorbeeld niet op te vangen op Barbados. Ik luister en hoor niks. Ja, aanrollende golven, calypsomuziek en het gezoem van een muskiet. Wat een belachelijk mooi, welvarend eiland, het lijkt wel alsof de mensen hier erop uit zijn om andere, minder fortuinlijke delen van de wereld voor schut te zetten.
U doet aan bommen? Wij houden het bij rum. Bloedbad in Qana? Bloedheet hebben we het. En zelfs de treurige armoe en de raciale conflicten, die de andere Caribische landen hebben getroffen, bij wijze van wisselgeld voor de krankzinnige Bounty-stranden die ze gratis kregen, zijn hier afwezig. Een tropisch eiland, bewoond door een bevolking die voor het grootste deel uit middenklassers bestaat. Zelfs daar hoeft de toerist zich niet schuldig over te voelen. Eerder gebeurt het omgekeerde: de eigenaar van die grappige strandtent laat je zijn huis zien, en je begrijpt ineens dat jij de sloeber bent.
En toch is het zelfs in deze idylle mogelijk om ammunitie te vinden voor een oorlog. Zo’n tachtig procent van de bewoners is nakomeling van slaven, een kleine tien procent hield er zelf slaven op na en is nog steeds blank, en ja, die laatste minderheid heeft de beschikking over het gros van het geld en de goederen.
Er bestaat een mooie oplossing voor die potentieel gevaarlijke situatie en die heet: halfbloedjes. Laat blank en zwart met elkaar naar bed gaan, en hun kinderen zijn de zoethoudertjes van de maatschappij. Maar mulatten zie je hier opvallend weinig, heel anders dan in Suriname, waar de rassenadministratie al tijden in de war is.
Een jongeman ontmoet, uit zo’n typische plantersfamilie, die me tussen neus en lippen door vertelde dat de meisjes hier ‘op’ zijn.
Hoe bedoel je?Nou, geen blanke meisjes meer van goede komaf die er een beetje uitzien. Zijn moeder struint nu de andere eilanden af, op zoek naar een geschikt type. Of beter gezegd, naar een type uit een geschikte familie. En kom hem nu niet vertellen dat hij een racist is,want neuken doet hij volop, met bruin, blank en zwart, maar trouwen is natuurlijk toch wat anders.
Ik was dus bijna verheugd toen ik in de hoofdstad Bridgetown aanplakbiljetten zag met de tekst: ‘Barbados Apartheid’. Aha, iemand noemt het beestje bij zijn naam. Blijkt het de eenmansactie te zijn van een straatkrantverkoper (echt, ze hebben hier alles) die niet langer mag posten bij de ingang van een supermarkt waarvan de eigenaar toevallig blank is – en dat mag je mazzel noemen, want anders had ie die schrijnende Apartheidsbeschuldiging wel kunnen vergeten.
Het zou er in principe heel gespannen kunnen toegaan op Barbados, zo’n samenleving met lelijke, raciale littekens die telkens weer opspelen, maar er is een revolutionaire kracht die hier de vrede garandeert: het toerisme. Er staan een paar ‘grand hotels’ uit de negentiende eeuw (Atlantis, Sandy Lane) die aangeven hoe lang de mensen al gewend zijn aan vreemde ogen. En aan vreemd geld, natuurlijk.
Er gebeurt iets met autochtonen, wanneer ze keer op keer worden bezocht door vakantiegangers. Ze gaan zichzelf hoger aanslaan.
Hun gewone leven is voor die vreemde gasten kennelijk uitzonderlijk. Vervolgens moet er natuurlijk flink aan ze worden verdiend, en van die inkomsten moet iedereen enigszins profiteren, maar is dat het geval, dan heb je Barbados, dan heb je de toeristische vrede.
Je krijgt de indruk dat mensen hier zo gewend zijn aan visite, dat het hun tweede natuur is geworden zich zo voordelig mogelijk te presenteren. Huiselijke ruzies worden opgeschort, rotzooi uit het zicht gehouden, en zelfs de enkele zwerver loopt er rustiek bij.
Dit land heeft constant bezoek – het komt godzijdank nooit helemaal aan zichzelf toe.
