VN MediagidsVerhoorde gebeden

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

04.10.2008

Door Stephan Sanders

Een maand geleden was de vraag nog: wie zal er winnen? En nu is het meer de vraag wie zo gek is om de volgende president van de failliete Verenigde Staten te willen worden.

Ik zag deze week een tv-documentaire over de Amerikaanse komiek Richard Pryor – de man die in alles het tegendeel was van Obama. Pryors levenstaak bestond eruit blanke Amerikanen te provoceren. Hij deed dat door om de andere zin het woord nigger in de mond te nemen, het verboden ‘N-woord’ voor blanken, en uitgebreid over zijn cokeverslaving te verhalen. Dat klinkt als één groot shock and awe-programma, maar belangrijker was de ontroerende en naakte kant, die Pryor ook bezat en die hij net zo ongenadig aan zijn publiek liet zien.

Dit is nog steeds mijn lievelingsgrapje: Pryor tuurt secondenlang enigszins gepijnigd de zaal in, en doet dan zijn grote bekentenis: ‘Ik ben zwart.’ Verwarring in de zaal, vertel ons iets nieuws. En dan vervolgt Pryor, met die scheve, jongensachtige glimlach van hem: ‘Maar gelukkig heb ik dat nooit aan iemand verteld, totdat ik een jaar of twaalf was.’

Dit is een prachtig voorbeeld van het spel dat iedereen speelt met de eigen binnenwereld en de buitenwereld. Het is altijd weer een verrassing dat we zo anders worden gezien dan we onszelf ervaren. Maar er zijn een paar zaken die vanzelfsprekend horen te zijn: man of vrouw, jong of oud, blank of zwart. Pryor speelt met die evidenties, juist omdat de feiten zo voor zichzelf spreken,
terwijl het grapje denk ik letterlijk opgaat voor Obama: hij heeft op elf-, twaalfjarige leeftijd echt besloten dat hij zwart is, en het ook zo formeel aan zijn grootouders mede­gedeeld.
Ik vind dat niet gek. Ik heb het zelf precies zo gedaan.

Pryor was nog van de zwarte generatie die één vijand kende: blank Amerika. Eeuwige klacht van de zwarte komiek: ‘Waarom laten ze me niet binnen,’ waarbij die ‘ze’ dan bestonden uit een schimmig conglomeraat van platenbazen, tv-producers en filmbonzen, die een gemeenschappelijke trek deelden: hun blankheid.

Pryor bleef bonken op die gesloten deur, totdat de poort ook daadwerkelijk openzwaaide. Midden jaren zeventig was hij de best betaalde, hoogst genoteerde zwarte acteur, hij kreeg flink wat geld tot zijn beschikking en mocht van zijn blanke geldschieters de films maken die hij wilde. Missie geslaagd, zou je zeggen, maar op dat moment werd Pryor getroffen door een grote verlamming.
Hij was zo gewend aan het stormlopen en provoceren, dat hij niet kon bedenken hoe hij met zijn gearriveerde status om moest gaan. Dure film gemaakt, die flopte. Een vriend van Pryor merkt op: ‘Je moet heel voorzichtig zijn met wat je wenst.’

Dit is niet het verhaal van Barack Obama. Ik denk dat Obama veel meer gechoqueerd is door het racisme dat hij incidenteel ook zal tegenkomen, dan door zijn succes. Obama had succes, heeft succes, en ziet zijn kleur niet als een spelbreker daarvan.

Shelby Steele, de Amerikaanse auteur die pas geleden in ons land was om zijn boek over Barack Obama te promoten, gelooft dat zwarte Amerikanen gehouden zijn aan twee rollen: die van de uitdager (Pryor) of die van bemiddelaar (Obama). Hij lijkt te vergeten dat blanke politici ook wel degelijk een publieke rol moeten kiezen. Je ziet McCain switchen tussen de gemoedelijke vaderrol en de ‘ik-ben-nog-best-agressief-voor-mijn-leeftijd’-pose.

Iedereen heeft over het eerste debat tussen Obama en McCain opgemerkt dat het een beetje saai was. Maar niemand vond het kennelijk de moeite waard te onderkennen dat Obama zijn gospelachtige retoriek had thuisgelaten en nauwelijks slogans gebruikte, maar probeerde zo koel mogelijk op de problemen in te gaan.

Ja, nu vonden ze hem weer te afstandelijk, en daarvoor was hij de tovenaarsleerling uit Washington.

Punt is, dat McCains boodschap van belastingverlaging en een terugtredende overheid nogal ongeloofwaardig is geworden tijdens deze wereldwijde crisis. Als iemand een ‘gebonden man’ is, zoals Shelby Steele Obama noemt, is het juist McCain, want hij zit vast aan een Republi­kein­se partij die van de overheid een monster heeft gemaakt.

En diezelfde overheid moet nu redding bieden, op gezag van George Bush, het boegbeeld van de neoconser­vatieven. Dat is geen draai, dat is een nooit vertoonde
omslag.

Je wenst het niemand toe president te worden van dit land, dat nu in een ongekende crisis verkeert, en ook Obama zal veel van zijn ambitieuze plannen zo in de prullenbak kunnen gooien. Maar de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat de Democraten beter weten hoe overheidsinterventie werkt dan de Republikeinen.

Er heeft dus een klein, cynisch wonder plaatsgevonden – de gebeden zijn verhoord. Het gaat nu om de groene kleur van de dollar, en om de nieuwe beheerder van een bankroet land.