VN MediagidsVerbouwereerd

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

09.08.2008

Door Stephan Sanders

Verbouwereerd zijn is een conditie, die vooraf gaat aan het oordeel. Verbouwereerd zijn is een tussenstand.

In Nederland is het sinds kort zo geregeld: je hebt hufters, en je hebt mensen die andere mensen hufters noemen. De tweede groep is vele malen groter dan de eerste, zodat we te maken krijgen met een statistische onwaarschijnlijkheid. Een bijna niet te peilen, zelfbenoemde groep hufters, terroriseert een overgrote meerderheid van niet-hufters. Wie veel over hufterigheid praat, geeft zichzelf een compliment. Spreker is het in elk geval niet. Blijft die mysterieuze club van hufters over, die toch overal wordt gesignaleerd.

Zelf ben ik op beide groepen jaloers, op hun zelfbewustzijn en hun oordeelsvermogen. In de dagelijkse praktijk ben ik voortdurend verbaasd, zonder dat het juiste etiket me op tijd te binnen wil schieten.

Een paar voorbeelden van de laatste week.

Loop over straat, en zie een jongeman aankomen waggelen van een jaar of twintig, met die overdreven, slepende tred die geloof ik voor mannelijk door moet gaan. Kennelijk kijk ik deze jongen gefascineerd aan, als kind al hield ik van Volkenkundige Musea, geen ritueel of plaatselijk gebruik was mij te dol, de inventiviteit van de mensheid heeft mijn warme belangstelling. Ineens hoor ik in Marokkaans-Nederlands: ‘Ik trim jou in mekaarrr, als jij nog een keerrr kijk naar mij.’
Dit is geloof ik synoniem met de oud-Nederlandse variant: ‘Heb ik wat van je aan, of zo?’ en je moet op een bepaalde manier reageren. Ik weet niet hoe, ik verschuif mijn zonnebril, kijk om me heen (misschien bedoelt de jongen iemand anders) en loop door, niet sneller, niet langzamer dan ik van plan was.

Had ik om uitleg moeten vragen? Was het goed geweest als ik had gezegd: ‘Had je wat, hè, hè’ (mij niet echt op het lijf geschreven).

Thuis begin ik toch te piekeren, en dat is ook al niet verstandig, want misschien had ik ‘hufter’ moeten roepen, dan was zijn eer gered geweest, en de mijne ook, want dan had ik bij mijn vrienden kunnen klagen over hufterigheid in het algemeen, en dat is niet zielig.

Voorbeeld twee: op de radio bespreken we de Gay Canal Parade, met al die ‘gay for a day’ toeschouwers en deelnemers, Pvda’ers incluis. Er wordt gefluisterd dat er op boot 43 echte nichten te vinden waren. Ik heb mijzelf in de loop der jaren een bepaalde gelatenheid aangemeten over dit evenement. Als ik bijvoorbeeld een TROS-tv-show zie die gewijd is aan het Nederlandse lied, begin ik ook niet te roepen: ‘Ja, maar ik ben ook Nederlander, en voel me hier niet bij thuis.’ Waarom zou ik me als homo meer betrokken voelen bij een homo-botentocht? Mijn stijl is het niet, maar mijn politieke mening wel, want artikel 1 van de grondwet neem ik serieus.

Gesprek met minister Koenders, die meevoer als minister en met trend­watcher Adjiedj Bakas. De laatste kan dus de toekomst duiden, maar het verleden toch veel minder. Bakas: ‘Wat deed “mullah Cohen” daar op die boot, en waarom stond hij er niet zes jaar eerder’ – dit alles zonder enige tegenspraak te voelen. ‘Deze burgemeester met zijn Al Qaida-agenda, die de homohaat stimuleert en altijd de kant kiest van de allochtone potenrammers.’

Ik minstens tien seconden verbouwereerd. Ik ben geen fan van Cohen. Maar dit zomaar wat schreeuwen… dit gillende, retorische ongelijk, dat elke discussie doodt. En ik moet dan weer de ‘hoho, tuttut’-interviewer spelen, alleen omdat die gek trendwatchend zit te raaskallen.
Volgende keer meteen ingrijpen, roepen: ‘U is krankzinnig’? Of toch weer: pappen, er iets van zeggen, en er later woedend over worden?

Voorbeeld drie: neefje en nichtje uit Barbados zijn over, het is zondag en het regent en we gaan naar een plek waar ik nooit kom: de overvolle Arena-bioscoop in Amsterdam-Zuidoost, waar alle andere mensen met kinderen zich de pestpokken vervelen en dus in godsnaam maar Wall-E willen zien.

Voor de kassa zo’n gedrang dat je rechtsomkeert wilt maken, maar de kinderen. Vraag aan jongeman voor mij, met oordop in: waar begint de rij? Wat? Waar, rij. Wat? Even later zet diezelfde jongeman een moeder van twee kinderen, die voordringt, letterlijk op haar plaats, met zo’n voetbalschoudertje.

Het gekke is: die moeder is daar ook niet verbaasd over. ‘Nou moe,’ zeg ik, maar niet: ‘Hé hufter, doe eens normaal,’ of iets van andere dwingende aard.

Ik sleur de kinderen mee, Wall-E komt later, we gaan lekker naar het Koninklijk Instituut voor de Tropen, de nieuwe Palestina-tentoonstelling zien (‘bóring,’ zegt neefje meedogenloos) en daar zie ik een speer uit Nieuw-Guinea, en eerst steek ik die iPod-jongen neer en dan de vrouw&moeder.
Beiden niet dood, hoor, maar wel behoorlijk verbou­wereerd.