VN MediagidsVan Rushdie naar Ayaan

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

23.02.2008

Door Stephan Sanders

Het was november 1998, het toch al vredige Oslo lag er op zijn Anton Pieck-best bij, de weg die naar boven slingerde was besneeuwd, en het gebouw waar wij verbleven was uitgevoerd volgens de beste Scandinavische tradities: veel hout en glas en openheid.

Wij, de Europese Rushdie Defence Committees, hadden besloten ons daar en toen op te heffen, negen jaar na de fatwa die Salman Rushdie trof. Ook Rushdie was er, niet in een kist, niet in zak en as, maar gewoon in pak. Onbenullig detail: ik zag dat de man zich gedurende zijn vervolgingsjaren beter was gaan kleden, de uitdrukkelijk linksige stijl van ‘heb gewoon wat bij elkaar gegrist’ was voorbij. Er begon echt iets van glamour om hem heen te hangen. Hij had het zelf negen jaar geleden ongetwijfeld nog voor rechts versleten.

Rushdie sprak, hij bedankte uitvoerig, en pleitte dus toen voor de opheffing van al die comités. Er was niemand die zei: ‘Maar wij gaan door’, want als je naamgever er de brui aan wil geven, moet je wel van egomane huize komen om door te gaan.

In de loop van die jaren heb ik Rushdie een paar keer ontmoet. Ik zag hoe hij veranderde, door de tijd, de druk en ook door de politieke omstandigheden. Tijdens die eerste ontmoeting was hij de man met het multiculturele linkse verleden, die wrang genoeg in de rol van moslimhater was geduwd. Dit misverstand probeerde Rushdie keer op keer te ontzenuwen. ‘It’s not the west against the rest’ was zijn mantra, en verder deed hij zijn best zo gewoon en lacherig mogelijk te doen in die ongewone tijd. Hij droeg toen een sweater met opdruk, waarvan ik zeker weet dat hij, de man van het woord, die niet zelf had gelezen. U kent het type.

Het Nederlandse comité volgde maar al te graag zijn redenatie, we wilden bruggenbouwers zijn en probeerden in gesprek te komen met moslimorganisaties, die soms welwillend waren, vaker afwachtend en nog vaker hun beloftes niet nakwamen. Uitzondering moet worden gemaakt voor imam Abdulwahid van Bommel, maar dat was weer een blanke, Nederlandse bekeerling, en die werd in eigen kring verdacht van al te grote religieuze lenigheid.

Wat was het goede nieuws tijdens die opheffingsbijeenkomst in Oslo: Rushdie leefde en was allerminst monddood. De Britse regering, aanvankelijk onder leiding van Margaret Thatcher, had hem, de Britse migrantenzoon, altijd de noodzakelijke en kostbare bescherming gegeven, ook toen er stemmen opgingen die stelden dat ‘hun belastingcenten’ wel aan betere doelen besteed konden worden.

En misschien was ook wel het goede nieuws dat Rushdie minder aardig hoefde te zijn, die laatste keer. Hij hield er veel minder linkse reflexen op na – en dat waren in 1989 toch zijn geloofsbrieven geweest, die zijn onschuld moesten ondersteunen. Nu was hij gewoon vol van zichzelf, een man in pak, een wereldster, die altijd al arrogant was geweest, maar die zijn arrogantie niet langer hoefde af te kopen met Nicaragua.

En zie, precies tien jaar na onze opheffing bestaan we weer even als Defence Committee, nu om de bescherming van Ayaan Hirsi Ali af te dwingen. Het moet voor Balkenende, als christen-democraat, die het mededogen als het ware op zak heeft, toch pijnlijk zijn te constateren dat hij aflaat waar Thatcher vanzelfsprekend handelde.

Schrijft Hirsi Ali net zo goed als Salman Rushdie? Dat geloof ik niet. Is zij aardiger dan hij? Nog wel, maar de sterrenstatus verandert mensen. Kleedt zij zich beter dan Rushdie? Ja, duizendmaal. Zij heeft wat dat betreft een natuurlijke voorsprong. En zijn bovenstaande vragen van belang? In het geheel niet. Hirsi Ali is een Nederlands staatsburger, je kunt zelfs stellen dat niemand zoveel Nederlands staatsburger is als zij, ze heeft meningen en boeken en uitspraken waar je het niet mee eens hoeft te zijn om haar toch niet te laten doden.

Rushdie vloog de hele wereld over om zijn zaak te bepleiten, en de Britse regering zei niet: ho, ho, bij Calais houdt onze verantwoordelijkheid op. De Nederlandse regering zegt dat wel. Waarom? Omdat ze er mee weg komt, omdat de meeste mensen een beetje Hirsi Ali moe zijn, en peilingen aangeven dat met haar zaak geen stemmen zijn te winnen.

Ik zie een rechte lijn vanaf februari 1989, de fatwa van Khomeini tot aan nu: niet alleen de economie wordt globaler, ook de haat tegen de vrijheid van meningsuiting wordt dat. Die haatcampagne is goed georganiseerd, maar ook weer niet zo goed dat democratische rechtsstaten niet vast kunnen houden aan hun eigen ideeën en principes.
Als we dat nu eens gewoon doen.