VN MediagidsUitgang
08.12.2007
Zolang ik mij kan herinneren, was daar Hans Wiegel. Vanaf 1967 lid van de Tweede Kamer voor de VVD, vanaf 1971 voorman van zijn partij, het jaar daarop lijsttrekker, toen minister, toen commissaris van de Koningin, daarna nog wat belangwekkende functies en al die tijd, tot op de dag van vandaag, dreigt hij met terugkeer naar Den Haag.
Hij is de Heintje Davids van de politiek, die het maar niet lukt afscheid te nemen. Het heeft er alle schijn van dat Wiegel daarom maar besloten heeft een einde te maken aan de politiek as we know it.
In mijn jeugdjaren was hij de pesterige opponent van Den Uyl, die erin slaagde de VVD groot te maken, en ook een stuk minder liberaal.
Op elfjarige leeftijd kreeg ik last van een politieke oprisping: ik was ineens onnoemelijk voor de VVD, moeder keek er bevreemd naar met haar medemenselijke PPR-hart, en dat was misschien ook wel mijn belangrijkste motivatie. Zij vroeg mij op de jongen af: ‘Vind jij die Wiegel dan zo geweldig?’
Hier had zij mij beet, want Wiegel, daar kon ik toen al niet warm voor lopen, ik maakte een U-bocht om de partijleider heen en begon een lang verhaal over het liberalisme, waarna ze mij vluchtig een keer over de wang streek, alsof daar een broodkruimel was blijven zitten.
Wiegel heeft er later eigenhandig voor gezorgd dat ik lang niet op de VVD kon stemmen. Ik verdroeg die zogenaamde bonhomie van hem niet, die anderen zo aantrekkelijk vonden, die sfeer van sigaren en joviale klappen op de schouders, waarmee hij zijn tegenstanders zachtjes vermoordde.
Wiegel was toen al gereduceerd tot het orakel uit Ljouwert (Leeuwarden): de man die vanuit de provincie zijn partij bleef aanmoedigen, net zo lang tot ze hem zouden smeken terug te komen. We zagen daar een politiek dier in nood, dat voor zichzelf een leven buiten de circuspiste wist op te bouwen.
Toen: de nacht van Wiegel, hij lid van de Eerste Kamer, en nog een keer de koningin van het schaakspel. In de zeer vroege ochtend van 19 mei 1999 werd er, na een debat van zestien uur, gestemd over het correctieve referendum. De Eerste Kamer leek akkoord te gaan, maar Wiegel stemde tegen. Wiegels commentaar: ‘Ik zie invoering van het correctief referendum als aantasting van de vertegenwoordigende democratie, sinds jaren grondslag van ons parlementair en politieke stelsel.’
Dat zijn eerbiedwaardige overwegingen, die je serieus had kunnen nemen als Wiegel ze acht jaar later niet in een handomdraai had verkwanseld. Maar die wet, die kwam er niet, en het kabinet-Kok viel.
Daarna ontpopte Wiegel zich tot het erelid van de VVD, dat er een eer in stelt het vooral zijn eigen partij zo lastig mogelijk te maken. Ik heb dit altijd een nogal doorzichtige rol gevonden, de man die maar bleef roepen om zo zijn eigen overbodigheid te overschreeuwen. Bovendien waren er zijn ronduit venijnige reacties op elke vorm van intellectuele vernieuwing binnen de VVD. Vooral Hirsi Ali was zijn favoriete zwarte schaap. Wiegel: ‘Het vertrek van Ayaan Hirsi Ali is noch voor de VVD noch voor het parlement een verlies.’
Zo hardvochtig als hij reageerde op dit zwarte schaap, zo deemoedig gedroeg hij zich tegenover het blanke schaap Verdonk, die de partij wel degelijk tot op de rand van de afgrond bracht. Wiegel: ‘Verdonk doet het juist heel netjes.’ Hier hangt een geur van vooringenomenheid omheen, die bepaald ongunstig is.
Hoogtepunt van hypocrisie was Wiegels oproep de VVD op te heffen en mee te nemen in een ‘brede liberale beweging’ met Verdonk en Wilders en alles wat er verder nog losloopt aan de rechterkant. Hebben we het hier over dezelfde man die het correctieve referendum al een ‘aantasting’ vond van ‘ons politieke bestel’? Hoe zit dat eigenlijk met de ‘grondslag van ons parlementair en politiek stelsel’ als een zestigjarige partij, met een interne democratie en een ledenvergadering en alles wat erbij hoort, zomaar vervangen kan worden door een vage, niet te controleren ‘beweging’?
Die representatieve democratie, was dat al die tijd een duur grapje, dat we natuurlijk niet serieus moeten nemen zodra het stemmen gaat kosten? Hier neemt Wiegel populistische Chavez-trekken aan, en mij is het om het even of je dat links of rechts wilt noemen. Democratisch is het niet.
Wiegel moet dat boek lezen van Philip Roth, Exit Ghost, en er vervolgens naar handelen.
