VN MediagidsTutu
12.08.2006
Een vriendelijke, maar ook wat landerige sfeer, van mensen die hebben besloten dat ze er zin in hebben, met zijn allen, maar alleen vergeten zijn waar ook weer in.
Gay Pride loopt op zijn einde, de botenparade is achter de blote rug en op het Amsterdamse Rembrandtplein hangen de laatste trotse en minder trotse bezitters van een homoseksuele identiteit voor een podium, waar misschien nog een weergaloze act van ongekende allure zal worden opgevoerd.
Als het even kan, mijd ik de grote, homoseksuele drukte, maar ik heb toch het gevoel dat ik het aan mijn stand verplicht ben even mijn neus te steken in het feestelijke woelen. Het scheiden van de markt is een mooi moment voor zo’n verplicht bezoekje – inderdaad, alsof je toch maar die visite aflegt bij je oudtante. De opgepoetste joligheid heeft veel van haar glans verloren, de boa’s zijn het wapperen moe. Het hoogtepunt van de homo-emancipatie leek mij bereikt toen ik een jonge moeder hoorde zeggen, met haar kind op de arm, dat de parade dit jaar ‘zo truttig’ was.
Die heeft het wel eens homoseksueler gegeten. Oscar Wilde verklaarde, na zijn eerste trans-Atlantische bootreis, met onnavolgbare nuffigheid: ‘The ocean somewhat disappointed me.’ Wij schrijven nu de hetero die een tikkeltje teleurgesteld is in het homoseksuele gehalte.
Zelf blijf ik me altijd ongemakkelijk voelen bij de vlootschouw van mijn soortgenoten. Zoals een (hetero)kennis mij mailde: ‘Is die homoparade nu wat, of zie je het toch meer als een soort belediging? Ik herken jou er helemaal niet in.’ Jaren vond ik het een sport er geringschattend over te schrijven, maar nu er in onderwijskringen wordt beweerd dat leraren best homoseksueel mogen zijn, als ze er maar niet mee ‘te koop lopen’ (alles uiteraard voor hun eigen bestwil) – ja, nu is die lol er wel vanaf.
Ik koesterde altijd het idee in een land te leven waarin ik mij helemaal niet hoefde te identificeren met de eerste de beste René Froger-imitator, die namens mij een smartlap zingt die om te huilen is. In tijden van oorlog sluiten zich de rijen – en wat was ik blij dat die noodzaak was verdwenen. Ik hoef niet in tutu voor de ‘zichtbaarheid’ of de goede zaak. Het ijzerenheinige clubgevoel is niet aan mij besteed, en niemand noemt mij een ‘verrader’ of een ‘notoire homofoob’ als ik afstand neem van al dat homoseksuele getrompetter.
Datzelfde gebeurt dus wel met joden die zich van Israël distantiëren. Daar is het clubgevoel verplicht, ook al omdat de oorlogstijden nog lang niet voorbij zijn.
En dus dringt de ‘als-geschiedenis’ zich op. Wat als er niet zes miljoen joden maar zes miljoen homo’s waren vermoord, van wie het restant na de oorlog had besloten: een eigen homoland, dat is de enige garantie voor onze veiligheid. Er werd nog even -gelonkt naar de Griekse eilanden, maar nee, de Griekse regering gaf niet thuis, en dus werd Homostan gesticht, ergens in het Midden-Oosten, te midden van de patriarchale, Arabische cultuur. Die homojongens en -meisjes zouden flinke soldaten worden, dat grappige en geinige van hen zou plaatsmaken voor een bloedserieuze ernst, en ja, de beste ivf-behandelingen zouden in dat land worden ontwikkeld. De sympathieke underdog zou kortom veranderen in een ‘top dog’, met commando-eenheden die niet aan travestie deden, maar wel alle andere middelen inzetten om hun land te verdedigen.
Het is dan natuurlijk allang niet leuk meer, de publieke opinie heeft het na een tijdje wel gehad met die nichten, die net zo hard oorlog voeren als de gemiddelde hetero, en eigenlijk nog wat harder, want de minderheidsstatus kleeft hen aan, en die verschaft hun het alibi voor de rigoureuze aanpak.
Ik ben een homo in de diaspora, en wordt telkens aangesproken door kennissen die hun aanvankelijke welwillendheid hebben ingeruild voor keiharde kritiek. ‘Dit kan toch echt niet meer. Wat vind jij er nu van?’
Ik zou stotteren, maar ook denken: ‘Ja, jij hebt makkelijk praten met je kerngezin en je nakomelingen.’
Ik zou met bezwaard hart op een boot varen, over een Amsterdamse gracht, om geld in te zamelen voor dat bedreigde land.
Ik zou niet weten hoe snel ik die tutu weer uit moest trekken.
Maar ik zou hem dus wel aandoen.
