VN MediagidsTrut
27.09.2008
Hij was de eerste man van wie ik begreep dat dat nou een homofiel was. Th. kwam vaak bij ons thuis, of beter gezegd: bij mijn moeder, met wie hij dan vederlichte gesprekjes voerde over de wondere kunst van het bloemschikken.
Th. werkte bij de plaatselijke bloemist, hij was anders dan de andere mannen en had ook nog eens 'groene vingers'; die kwamen mooi van pas, want moeder had altijd wel een antieke pul of schaal die opgemaakt moest worden, en zij overlegden dan over bloemsoort en kleurstelling – vooral bij die antieke pul luisterde dat heel nauw. Het woord ‘homo’ viel niet, maar ik merkte als elfjarige een aantal zaken op: moeder was een flirt bij andere mannen, wat ergerlijk genoeg was, want zij had mij toch al, en o ja, vader.
Maar met Th. was zij vriendinnen. Ze giechelden veel en roddelden over de wansmaak van andere mevrouwen, die, ik noem eens wat, tin combineerden met anjers of iets anders verschrikkelijks. Th. had 'smaak', vond moeder, en dat was kennelijk een groot maar ook dubbelzinnig compliment, want mannen die zij echt leuk vond, hadden wel wat anders in de aanbieding. Bovendien viel mij de dienstige houding van Th. op, hij droeg suggesties aan, moeder besloot en hij schikte zich dan weer. Een man die op mannen viel en ondertussen dienaar was in het rijk der vrouwen.
Ik wist zeker dat ik nooit een homofiel zou worden. Ach, het kan verkeren, en waarschijnlijk hadden
Th. en ik ook weinig anders gemeen dan de belangstelling voor het mannelijk lichaam. Ik geloof dat
hetero’s niet stomverbaasd zijn als ze er een geheel
andere smaak op nahouden in auto’s, kleren, ja zelfs in mannen of vrouwen. Maar voor homo’s blijft zoiets een
revelatie.
Gerrit Komrij beschreef vorige week in de George Mosselezing hoe hij als jongeling homoseksuelen zag. Als 'tweepotige monsters met een seksuele en een mysterieuze component'. Vooral die mysterieuze kant moet veel indruk hebben gemaakt op de jonge Komrij, er sprak een belofte uit, dat je 'deel zou uitmaken van een geheim genootschap' en nooit zo 'gewoontjes zou worden als gewone mensen'. Ik heb daar zelf ook in geloofd, in een soort geestesadel die vanzelfsprekend homoseksueel zou zijn, en ja hoor, daar konden de hetero’s nog een puntje aan zuigen.
'Het was een schok toen ik mijn eerste homoseksuele stratenmaker ontmoette,' zegt Komrij, en ik herinner me de jonge belastinginspecteur, toen al in pak, van wie ik weigerde te geloven dat ie echt homoseksueel was. 'Het is een bevlieging, een fase, je komt er nog wel achter…'
Maar de waarheid is simpeler: homoseksualiteit, zeker de huidige, wettelijk goedgekeurde, heeft in zichzelf net zo min een mysterieuze kant als de heteroseksualiteit. Komrij heeft het over de 'homovertrutting' – een woord dat ik telkens over moest lezen, omdat ik eerst 'overtrutting' zag en dan dat mysterieuze 'hom' – maar die these is veel te optimistisch, alsof de 'oerhomo' geen trut was, en het pas later is geworden.
Welnee, ik denk aan Th. en zie hoe de homo en de burgertrut al decennialang samengingen. Het kost me hoegenaamd geen moeite Komrij te volgen in zijn afkeer van de Jolings en de Gordons, die een speciaal soort giebelende meligheid tot norm hebben verheven, en zijn boutade tegen de gay parade is mij ook uit het hart gegrepen, maar politiek gesproken is het onbenullig. Ja, toen het algemeen kiesrecht werd ingevoerd, mocht ook de voddenman gaan stemmen, en nu de homo knuffelbaar is, kruipen ze in groten getale onder hun bloemenkarren en hun cafékrukken vandaan. Dat is niet per se verheffend, dat is democratie en anti-discriminatiewet en toegenomen acceptatie.
Renate Rubinstein zei het al in 1981, toen Komrij ook klaagde over de 'tolerantie' die homo’s ten deel viel, die eigenlijk een camouflage zou zijn van 'nonchalance'. Rubinstein: 'Wat is er mooier en geciviliseerder dan nonchalance? Komrij is een mooi voorbeeld van de minderheid die angst voor discriminatie combineert met een hekel aan integratie. (…) Oogkleppen, bij iemand van Komrij’s niveau, vind ik amusant.'
Wat zijn die oogkleppen? Dat er iets rebels zou schuilen in homoseksualiteit, iets tegendraads; dat het een
zekere moed vergt. Wij zullen onze Marokkaanse medeburgers erbij moeten halen, want daar speelt het nog
volop, maar sinds moeder en zoon samen een abonnement nemen op de Gaykrant, is die courage civile ernstig geslonken.
Komrij is eigenlijk van de joodse richting: hij wil geen bekeerlingen, geen volgelingen, en zeker niet van die
ordinaire. Liever een klein elitair clubje dan de grote
deinende massa. De islam en de christenen – die kunnen niet wachten derden te bekeren. omdat ze het ‘ware
geloof’ en het ‘uitverkoren volk’ willen beschermen.
Maar er bestaat gelukkig geen ‘ware homoseksualiteit’. En dat moesten we maar zo houden ook.
