Vrij Nederland Toch een mijlpaal
Foto: les van Lieshout / ANP
Toch een mijlpaal
Wil ik nú de politie bellen, bouwvakkers belemmeren hem de doorgang, bedreigen hem.
Wil ik nú de politie bellen, bouwvakkers belemmeren hem de doorgang, bedreigen hem.
Zojuist voor het eerst van mijn leven 1-1-2 gebeld – toch een mijlpaal, al is het moeilijk te zeggen waar die voor staat. Uiteindelijk voor het geheim van de liefde, maar nu loop ik verschrikkelijk op de zaken vooruit.
Mijn man, ik hoor meteen dat zijn stem geknepen klinkt, juist omdat hij probeert rustig over te komen. Dat krijg je na verloop van tijd: je leert de ander kennen in al z’n vermommingen, zonder dat je overigens ooit kunt vaststellen wat dan wel de ‘ware aard’ van die ander is.
Hij staat hier met z’n auto vast, vlak om de hoek, wil ik nú de politie bellen, bouwvakkers belemmeren hem de doorgang, bedreigen hem. Hangt daarna meteen op.
Eerst is er de onmiddellijke paniek, een heel lichamelijk gevoel, alsof er zich een zwerm bijen in je buik heeft genesteld. Dan de vraag: waarom moet ik de politie bellen? Hij heeft zelf een mobiel. Maar misschien wordt hij bedreigd, belaagd, ligt hij nu op de grond. Koortsachtig zoeken op internet, politie Amsterdam, Oud-Zuid, de Pijp, maar geen nummer, behalve telkens weer het bekende 1-1-2.
Maar dat bel je toch alleen als een inbreker met getrokken pistool voor je slaapkamerdeur staat. Is dat niet overdreven…? Lul, man ligt bloedend naast auto, wordt nu in het gezicht geschopt, bel!
Mevrouw aan de lijn, ik vertel dat ‘mijn vriend’ wordt belaagd (waarom niet ‘mijn man’?), de mevrouw weet niet waar de Govert Flinckstraat ligt, ik leg dat gehaast uit, ‘nee, niet in Amstelveen’, de moed zinkt me in de schoenen, geef ook nog het mobiele nummer van man door, en hoor trouwens meteen hoe ridicuul het klinkt: ‘mijn vriend wordt belaagd door bouwvakkers’.
Handig: als het erom spant, maakt zich onmiddellijk een tweede natuur van mij meester, die ook nog eens secundair reageert. Ik moet ook zonodig overpeinzen dat mijn man nog wel eens overvallen wil worden door zijn principes, die even onverwacht opkomen als een plensbui. Ik ken dat van hem.
Stop met peinzen, idioot, handelen, actie. Vlieg de deur uit, snelwandel naar plaats delict, tweehonderd meter verder, en daar staat man naast auto. Niet bloedend, wel zeer geagiteerd. Voor hem een laadwagen, die de weg blokkeert, waarop steigers worden geladen. De steigerbouwers, die druk doende zijn, niet met hem maar met het afbreken. Twee auto’s wachten achter hem en maken nu aanstalten om achteruit terug te rijden.
Man zegt dat hij dit dus niet pikt, de steigerbouwers hebben geen vergunning, er staat geen waarschuwingsbord aan het begin van de straat, en als hij ze vraagt de laadauto even te verplaatsen, krijgt hij een grote bek. Dat klopt niet.
‘Als wij verbouwen, moeten wij een ontheffingsvergunning…’
Ondertussen rijden andere automobilisten ons achterop, ze overzien de situatie, en zetten ’m in de achteruit. Mijn man staat als de enige ridder naast zijn portier de gerechtvaardigde zaak te verdedigen. De steigerbouwers werken relaxed door. Ik word nu fluisterend, heel, heel kwaad op man. Zijn mobiel gaat, de politie, ‘Am stel veen, toch?’, dit gaat nog even duren.
‘Ben je wel helemaal lekker, je rijdt nu achteruit, belachelijk, 1-1-2, vecht je principes maar ergens anders uit, dit is absurd…’ et cetera.
Man is echt over zijn toeren, ik zie het, hij doet dan belachelijk cool.
Kijk, van die bruine steigerbouwer kreeg hij de grote bek, die daar, de enige Surinamer van het gezelschap, zal je net zien, net zo bruin en Surinaams als mijn man.
Aha, er wordt nu ook een politiek-raciaal element aan de kwestie toegevoegd.
Na twintig minuten is de politie ter plaatse, ik verdedig met hartstocht de wettelijk juiste positie van mijn man, de politie treedt ‘de-escalerend’ op (ik constateer dit honend) en vraagt: ‘Tsja, hoe zou u deze toestand zelf oplossen?’
Alles waar ze vroeger de sociale academies voor uitlachten, krijg je als burger tegenwoordig van agenten voor je kiezen.
Ik eis nu, weer fluisterend, van man: ‘Achteruit.’ Hij doet het, en ineens weet ik weer wat zijn probleem is: hij kan niet goed achteruitrijden, hij waggelt terug zoals een dronken eend terug zou waggelen als-ie dat kon.
Thuis ben ik nog vijf minuten heel boos en dan overvalt me die ontroering: wat steekt man toch typisch in elkaar, hadden ze me dit dertien jaar geleden verteld, het was geen pluspunt geweest, en nu ben ik aan het smelten.
Je raakt dus ook gesteld op de krankzinnigheden van de ander, het is en blijft een groot mysterie.
Meer van Stephan Sanders
- Een stelregel: autonome keuzes moeten de overheid in principe geen geld kosten
- Het ideaal bergt een gevaar in zich; het houdt nooit rekening met de onbedoelde gevolgen
- Niets gedaan in de oorlog, niet eens geboren worden, en toch zomaar een verzetsverleden cadeau
- Voor Poetin is niet de burger Dolmatov om het leven gekomen, maar de Rus Dolmatov
- Man is op vakantie, waarom zet ik dan toch verse bloemen op tafel?