VN MediagidsThuis
28.03.2009
Als je geboren wordt, weet je nog niet waar je thuiskomt. In alle eerlijkheid weet je nog heel weinig. Andere mensen noteren je geboorteplaats, en in mijn geval was dat: Haarlem. Dat had mijn thuisstad kunnen worden, maar ik deed er niet zoveel meer dan geboren worden, en dat is toch niet genoeg.
Meteen overgeplaatst naar een kindertehuis in Halfweg, en na een tijdje door naar Twente, waar nieuwe ouders op mijn wachtten. Daar heb ik echt gewoond en herinneringen verzameld, dat had heel goed mijn thuis kunnen worden. Toch is dat niet gebeurd, en dat ligt zowel aan Twente als aan mij.
Mijn vader viel samen met Twente, hij was er geboren, was wel elders schoolgegaan en had in verschillende plaatsen gewoond, maar de man hoorde bij de streek. Als hij in het bos stond, met zijn jagershoedje en zijn loden jagersjas, viel hij net zomin op als een ree. Mijn zusje hoorde bij Twente, terwijl zij haar leven ook begonnen was in een kindertehuis, in haar geval in Amsterdam.
Maar zij aardde daar, ze sprak ook behoorlijk Twents, in ieder geval veel beter dan ik. Dat was ook niet zo moeilijk, want ik moet het hebben verdomd, dat dialect. Mijn ouders spraken ABN tegen ons, maar waren allebei het Twents zeer machtig. Ik had genoeg gelegenheid om het te leren, alle schoolvriendjes spraken het, maar ik moet dat actief hebben tegengewerkt.
Want altijd het idee: dit is een tussenstation, deze plek is niet mijn bestemming, ik moet verder, ik moet ergens anders naartoe. Ik zal hier de niet eens zo stilzwijgende droom van mijn moeder hebben overgenomen, die het meest heeft genoten van de jaren dat ze niet in Twente woonde.
Nu ging ik weer naar mijn jeugdland, ik moest het Twents Lezersfeest presenteren, en zo belandde ik weer op station Hengelo, om te wachten op de trein naar Oldenzaal. Openbaar vervoer en Twente, het is nooit een goed huwelijk geweest, maar dat huwelijk is in de loop van de jaren ook nog eens verslechterd. Nog even, en Oldenzaal is definitief een spookstation geworden waar niemand meer komt. Vóór mij stapt een jongeman in met een strak gepunte afro, een zwarte man met een vouwfiets nota bene. Hij gaat ook naar Oldenzaal. Mijn hart slaat drie keer over, vijfendertig jaar geleden was dit ondenkbaar. Ik was in Oldenzaal de jongen met kroeshaar. Verder was er bij mijn weten geen.
Later die avond praat ik met de schrijver Gerbrand Bakker, die niet in Twente is geboren, maar wel heel veel van de natuur houdt. Mij is het directe contact met de dieren en de planten niet gegeven, dus ik probeer altijd achter het geheim te komen van Gerbrand en mijn zusje en mijn vader, want daar zit ’m de kneep. Bakker zegt: ‘Het is niet zo moeilijk je als schrijver te verplaatsen in een hond.’
Ik vind dat raadselachtig: een vrouw, uit de vijfde eeuw na Christus, ja hoor, een trol uit een sprookje, lukt me, maar een hond? Bakker houdt dus van honden, maar heeft er zelf geen, want ‘je hoeft er toch niet een thuis te hebben om er van te houden?’ Ik vraag of dat ook voor vrouwen geldt. Hij zegt dat het in zijn geval om mannen gaat.
De volgende dag zie ik mijn jeugdvriend Y., met wie ik nog ben schoolgegaan en heb gehockeyd. Hij heeft in Afrika gewoond en Delft en Groningen, maar is thuisgekomen in Twente. Ik zie ook zijn ouders, dat is meer dan dertig jaar geleden. Zijn vader vraagt of ik nog een beetje Twents spreek. Ik lepel dat ene zinnetje op, uit mijn hoofd geleerd, en ik heb bewezen dat ik niet verwaand ben geworden.
Het is heerlijk met Y. door het Twentse landschap te rijden, hij heeft een enorme Mercedes tegenwoordig, dus dat is comfortabel, en hij ziet dingen die ik niet zie. ‘Kijk, die buizerd. Daar, de reeën in de wei.’ Net mijn vader, ik kan er nu van genieten, vroeger droomde ik over New York en konden die buizerds me gestolen worden.
Y. vertelt me een mop van Herman Finkers, van wie ik fan ben. Je moet ’m in het Twents horen, maar het lukt ook in het Nederlands. Belt een man naar de politie: ‘Ja, hier met Olde Dubbelink, ik dacht, ik bel even, want er loopt net een neger over straat, vlak langs mijn huis.’ ‘Ja,’ zegt de politie ‘en wat moeten wij daarmee?’ Man weer: ‘Dat moeten jullie zelf maar uitzoeken, maar er loopt dus net een neger midden op straat, en hij liep langs mijn huis.’
Ik moet hier zo verschrikkelijk om lachen, want bondiger kan je het wantrouwen tussen Twente en mij niet samenvatten.
Dan met de trein terug naar Amsterdam, waar ik inmiddels al twee keer zo lang woon als ooit in Twente. Bij aankomst snel op CS snel naar AH to go voor de morgenyoghurt. Nederlands-Marokkaans meisje achter de toonbank, ze praat in het Berbers met haar Nederlands-Marokkaanse collegaatje. Dan komt er een Nederlands-Surinaamse jongen aangestoven, weer een andere collega, geïrriteerd: ‘Zeg, dat versta ik dus niet, wij zijn hier dus wel in Nederland, dus.’
Ik betaal, ik gniffel en ben behoorlijk thuis.
