VN MediagidsSoft

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

22.11.2008

Door Stephan Sanders

Dit speelt lang geleden, tijdens de zelfgenoegzame Paarse jaren, die mij en mijn liberale hart erg bevielen. Mijn neefje was nog klein, een jaar of elf, en omdat ik hem niet zo vaak zag, stelde ik de vervelende oomvraag, die welbeschouwd alleen maar ingegeven wordt door onregelmatig contact.

‘Wat wil jij later worden?’

Hij hoefde niet lang na te denken – dat viel op want meestal moest je de woorden uit zijn mond trekken – hij zei ferm: ‘Hasjhandelaar.’

Nu stond ik met mijn mond vol tanden, want natuurlijk was het prima dat er hasjhandelaren bestonden, ik bezocht zelf ook wel eens een coffeeshop, en het Nederlandse drugsbeleid was heel verstandig, eigenlijk was het een mirakel dat nog niet de hele wereld dit glanzende voorbeeld volgde, maar mijn neefje, hasjhandelaar, dat kon niet de bedoeling zijn.

Ik probeerde het eerst pedagogisch: ‘Maar denk je niet dat jij veel meer in je mars hebt?’ Nou, neefje was niet onder de indruk. ‘Je moet een beetje zakelijk zijn, en dan word je later heel rijk.’
Ik zag hem in zo’n immer treurige, half verduisterde coffeeshop staan, waar de stonede klanten van ledigheid zowat van hun barkrukken afgleden, ik zag hem eindeloos brokjes hasj afwegen en vaardig in plastic zakjes stoppen, en mijn eerste impuls was om te zeggen: ‘Ik verbied het je.’
Maar goed, ik was zijn vader niet, en verbieden hoorde ook al niet tot het repertoire van de vrijgevochten oom. Het werd me toen wel duidelijk dat er een flinke discrepantie bestond tussen een algemeen politiek principe – softdrugs moeten legaal verkrijgbaar zijn, de staat heeft zich niet te bemoeien met de genotsmiddelen die iemand wenst te gebruiken – en mijn emotionele afweging. Want dat principe gold uiteraard niet voor neefje.

Ik geloof dat het Nederlandse gedoogbeleid jarenlang heeft gewerkt als een vorm van zelffelicitatie. Was je in het buitenland, dan vertelde je met gespeelde nonchalance over het gemak waarmee weed en hasj konden worden aangeschaft, kwamen er gasten over van ver, dan nam je ze mee, en rookte voor het eerst in maanden ook maar weer zo’n joint, al was het alleen al om te laten zien hoe gewoon het allemaal was, hoe alledaags. De omgang met softdrugs was een Nederlands kroonjuweel, het demonstreerde de rationele, pragmatische aanpak, die niet verduisterd werd door valse sentimenten en ideologische achterlijkheden, en in die zin leverde het een nieuw, nationaal zelfbeeld op, dat veel meer dan de klomp of molen symbool stond voor het vrije Nederland.

Kroonjuwelen zijn bedoeld om mee te pronken, het is niet de bedoeling dat je ze aan een nauwgezette inspectie onderwerpt. Het liberale uitgangspunt deugde, dus moest de praktijk daar ook wel aan voldoen.

Intussen woon ik in een Amsterdamse wijk waar ik op loopafstand geen slager of melkboer meer kan vinden, maar wel zes coffeeshops. Het is niet zo dat de bewoners nu zelf zulke grootverbruikers zijn, de meeste zijn veel te druk de hypotheek bij elkaar aan het verdienen, maar uit de westelijke en oostelijke randgebieden van de stad weten jongeren onze buurt te vinden. Natuurlijk worden daar veel auto’s dubbel geparkeerd, en ik kan ook niet volhouden dat die tijdelijke bezoekers een aanwinst zijn voor de wijk, want op zomerse dagen drommen zij buiten en kijken ons burgermannetjes vuil aan, want wij werken.

Het gebeurt mij praktisch nooit, maar bij drie van die coffeeshops ben ik uitgemaakt voor ‘vuile flikker’ op zijn Marokkaans Nederlands uitgesproken, en een ramp is dat niet, maar een opsteker is anders. Wij zijn vergeten bij dat leuke, liberale drugsbeleid ook de leuke, liberale jongeren te kweken, die daar dan verstandig gebruik van zouden maken.

Er is een uitzondering: de coffeeshop op de hoek, waar je open en bloot naar binnen kunt kijken.

Er lopen ’s middags moeders binnen met een kind op de arm. Ze eten dan verse appeltaart en bij het weggaan nemen ze soms een zakje weed mee. Kijk, zo was het ooit bedoeld. Maar in negen van de tien gevallen heeft ons softdrugsbeleid geleid tot harde jongens, die kraakjes zetten en flikkers verachten en vrouwen en kinderen van de weg rijden met hun gloednieuwe Mercedes, die namelijk op de stoep voor de coffeeshop moet staan, om de rest van de klanten de ogen mee uit te steken.

Het is hilarisch als je beseft hoe progressieve krachten erin slaagden zulke reactionaire types voort te brengen. Dit geweldige beleid was bestemd voor een ander volk, dat collectief was schoolgegaan op het Montessori-lyceum, en dat nog een jaartje rondkeek alvorens aan de studie filosofie te beginnen. Maar in mijn buurt zijn het de jongens met de minste kansen en de minste opleiding die hun toch al beperkte wereld nog wat benauwder roken.

Zelfs een half hoeraatje kan er bij mij niet vanaf.