VN MediagidsRuimhartig
13.09.2008
Het is heerlijk ruimhartig te zijn. Het is al fijn als anderen het van je zeggen, maar de zelffelicitatie is het leukst: jezelf ten diepste ruimhartig vinden. Het is of je een broche opspeldt van witgoud, die flonkert in het daglicht.
De vraag is wel: voor wie is die ruimhartigheid eigenlijk bestemd? Komt ze ten goede aan andere mensen, of is het vooral een opkikker voor het eigen ego? Wie staat er nu graag bekend als benepen, zeurderig, drammerig, de man van zout op alle slakken. Liever niet. Bovendien kost ruimhartigheid weinig tot niets. Meestal gaat het toch om een royaal gebaar met andermans geld. Een rondje voor de hele zaak, de omroep betaalt. De consequenties van ruimhartigheid kunnen ook nog eens heel vervelend uitpakken, maar dan is de gulle gever al verdwenen, en blijft zijn ruimhartige reputatie toch overeind.
Iedereen van boven de veertig herinnert zich de tijd dat twee woorden als vanzelfsprekend bij elkaar hoorden. ‘Ruimhartig’ en ‘asielbeleid’. Het was de vaste mantra, het ene begrip haalde het andere aan, het leek wel een getrouwd stel. Er is veel te zeggen voor een ruimhartig asielbeleid, bijvoorbeeld dat daardoor onze spoken worden bezworen, de spoken van de joden in de Tweede Wereldoorlog, die van hot naar her verhuisden en nergens veilig waren. Dat nooit meer.
Maar zijn de Somaliërs en Irakezen die nu in ons land asiel vragen inderdaad beter af met een wereldverhuizing naar het verre Nederland, of zouden er veel meer mensen geholpen kunnen worden als ze in een buurland worden opgevangen, met financiële hulp van ons? Het is beslist een minder groots gebaar, maar het zou wel eens effectiever kunnen zijn.
Je moet wel heel zeker weten dat mensen een redelijke kans maken zich hier te redden, te vestigen, en werk te vinden voordat je de deur wijd open zet. Die doordenking van de consequenties is heel on-sexy, van een Gesinnungsethik val je pardoes in een Verantwortungsethik, en grote woorden vallen dan plat op hun bek. Maar uiteindelijk zou zo’n praktische houding wel eens van meer betrokkenheid kunnen getuigen dan het ruimhartige gebaar, dat de neiging heeft een zekere nonchalance te camoufleren.
Ik vond mijn leraar Latijn vroeger een benepen man. Best aardig hoor, en gekwalificeerd, maar benepen. Waarom weet ik niet meer, maar ik begon op de middelbare school van die gehaakte mutsjes te dragen. Soort keppeltjes, maar dan alternatief. Die moesten af in de les van die leraar Latijn. Overigens, even voor alle duidelijkheid: ik heb de tijd nooit meegemaakt dat we als klas collectief op moesten staan wanneer de leraar binnenkwam. Je zag dat wel op Amerikaanse films, maar mij leek dat onzinnig. Vroeger was dat geloof ik wel zo, ook in Nederland, maar die autoritaire gewoonte waren we dus lekker kwijtgeraakt.
Maar dat mutsje, dat stak. Conrector erbij, rector, een hoop heisa, en ik maar doordrammen over mijn individuele vrijheid van expressie. Ik wilde ergens tegen ingaan, dat was één. En twee: ik deed het vanuit het idee dat regels er waren om ruimhartig te worden geïnterpreteerd. Ik weet niet meer hoe het afliep, ik weet wel dat ik nu twijfel aan de consequenties, nu ik klassen op de tv zie waar iedereen zich verschuilt achter en onder petten en mutsjes en sjaals.
U begrijpt het al, zo kom ik op de fundamentalistische moslimadvocaat, die niet wil opstaan voor de rechterlijke macht, want dat is in strijd met zijn geloof waarin ‘alle mensen gelijk zijn’. Dezelfde man geeft vrouwen geen hand, want die zijn denkelijk toch wat minder gelijk en misschien ook wel geen mensen.
Maar wat zou het toch ruimhartig zijn te zeggen: maak je niet druk, zo iets onbenulligs, staan of niet staan, er zijn belangrijker zaken.
Da’s chic. Da’s linkse chic. Maar ik ben van dat geloof gevallen.
Zeker, rituelen kunnen veranderen, zie de middelbare school en het opstaan-protocol. Maar we hebben het hier over de rechterlijke macht, en de woorden van Mohammed Bouyeri dreunen na, toen hij, net zoals krakers en buitenparlementairen ooit, verklaarde: ‘Deze rechtsstaat is de mijne niet.’ Dat had Onkruit ook nooit kunnen verzinnen, dat ultrareligieuzen nog eens met die lijfspreuk aan de haal zouden gaan.
Het opstaan voor de rechterlijke macht is, om het in de woorden van Frits Staal te zeggen een ritueel: de regels daarvan betekenen op zichzelf niets, maar ‘scheppen een vorm van handelingszekerheid, een formele structuur’. Die formele structuur wil die moslimadvocaat aan diggelen hebben: hij wil een religieuze structuur, die juist van alles en nog wat betekent. Dat is geen kleinigheid, daar moet je niet je schouders over ophalen.
Het is niet anders, ik ben dus een pietlut geworden in dit soort kwesties.
