VN MediagidsRobin Hood in actie
18.11.2009
Wat heb ik een drukke zaterdag achter de rug - en ik zeg dit met veel ironie. Het huisje dat ik huur in Kaapstad hoorde lang geleden tot het slavenkwartier. In de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw werd het een whites only area, en de gekleurde Kaapmensen en moslims moesten verdwijnen. Maar de moslims hadden iets verderop nog een wijk in bezit die door het apartheidsregiem niet onteigend kon worden - de Bo-kaap - en daar bleef de moslimmedemens wonen: een bruine enclave in een wit centrum.
Die Groups Area Act is allang afgeschaft, maar de oude slavenwijk is nog steeds blank, omdat de huisjes er door designers werden opgeknapt, met daktuintjes, hippe badkamers en voor buiten een zeer bescheiden plunge-in pool ter grootte van een badkuip. Huur omhoog, blank toeristenvolk komt en blijft.
Wat heb ik een drukke zaterdag achter de rug - en nu zal ik de ironie verklaren. Want iedere dag komt hier een vrouw die het beddengoed verschoont, de vloer veegt en de vaat doet. Zwart is zij, uit de Oost-Kaap. Dan is er de gekleurde conciërge, Ibrahim, die het dakterras nakijkt en de stoppen controleert. En voor dat kikkerbadje komt de poolman - want de kwaliteit van het water, je weet maar nooit, en de haperende pomp.
Er waren die zaterdag dus drie mensen om mij heen aan het werk. Ik zat achter mijn computer en ik probeerde te schrijven. In vroeger tijden moet de gezeten burgerij hier zeer bedreven in zijn geweest: het personeel loopt rond, maar jij ziet ze niet, ze zijn onzichtbaar, schemerlampen die op hun gebruikelijke plek staan. De gemiddelde Nederlander is dit leven niet gegeven. Bij ons is arbeid duur, je wacht je wel voor elk wissewasje iemand in te huren, en de eventuele hulp, éénmaal in de week, wordt ontvangen als een koningin - overcompensatie.
Terwijl het huis aan kant wordt gemaakt en ik geen letter op papier krijg, verzamelt zich plotseling een kleine politiemacht tegenover mijn huis. Sensatie, allemaal naar buiten: inbraak bij de overburen, de jonge advocaat met zijn Harley Davidson en vriendin. Schrik op hun gezichten: ze hebben drie uur vastgebonden op hun stoel gezeten, gekneveld, terwijl een paar jongemannen werkelijk alles uit hun huis hebben gehaald.
De dieven, van wie er één wordt gesnapt, zijn volgens de berichten jong en bruin - even later zal een politieagent vertellen dat hun ouders vroeger in deze huizen woonden, en dat ze daarom de plattegronden op hun duimpje kennen. De jongens bivakkeren nu in de Bo-kaap, aan de overkant van de snelweg, waar ze een kleine shanty town hebben ingericht, op nog geen honderd meter van de plek waar hun grootouders wel degelijk een echt dak boven hun hoofd hadden.
Natuurlijk ging het ze om geld, de computer, de blackberry, maar het wraakelement is moeilijk te negeren. Vreemde blanke lui in hun oude huizen. Robin Hood in actie. Ik hoor dat er de laatste week drie van dergelijke inbraken zijn geweest in mijn straat. 'Stil houden,' zegt de buurman rechts van mij 'want anders daalt de huizenprijs.'
Het was duidelijk dat ze iets van mij verwachtte, maar wat?
Goed, dit is mijn land niet, mijn stad niet, onmogelijke dilemma's, ik ben opgelucht als het hulplegertje uit mijn huis verdwijnt. Dan krijg ik een telefoontje uit Amsterdam. Het is een drukke zaterdag, het wordt ook nog een trieste. Mevrouw M. is overleden. Deze creools-Surinaamse vrouw komt al negentien jaar bij mij thuis. Zij is de h. in h., zoals Renate Rubinstein het halfschuldig afkortte, de hulp in de huishouding. Ikzelf ging aanvankelijk uit schoonmaken om haar te kunnen betalen, want het is makkelijker iemand anders' keuken op te ruimen dan je eigen, en het morele dilemma wordt letterlijk weggewerkt.
Flinke, moederlijke vrouw, zonder de overdreven bezorgdheid die ik daarmee associeer. Zeer gelovig en zeer werelds tegelijk, zoals Surinamers dat zo onnavolgbaar kunnen mengen. Alleenstaande moeder, volwassen kinderen, nam ook nog de zorg voor de kleinkinderen op zich. Kleinkind C. nam ze vaak mee. Dertien was die jongen - en ik wist niet goed waarom ze dat deed. Het was duidelijk dat ik iets met die jongen moest doen, dat ze iets van mij verwachtte, maar wat?
Vier jaar later begreep ik dat kleinzoon C. homo was. Mevrouw M. had zo haar vermoedens, wist niet wat te doen en nam het kind daarom mee naar de enige fatsoenlijke homo die ze kende. Want het was toch een ziekte? 'Ach, u kent mij toch, ben ik ziek?'
Nog wat jaren later werd C. haar officieuze lievelingskleinkind, en ook zijn Surinaamse homovriend was een fijne vent. Ineens werd mevrouw M. wat zwakjes, een paar weken later was ze twintig kilo magerder, ze leek de operaties te doorstaan en nu is ze dood, plotseling. Zij was verre van onzichtbaar en had geen talent voor slaafsheid - ik groet haar noodgedwongen van ver.
Ik wil geen verhoudingen zoals hier. Ik wil Nederland en mevrouw M.
