VN MediagidsO, Obama

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

12.01.2008

Door Stephan Sanders

Ik kijk wel ademloos naar het debat tussen Clinton, Obama en Edwards, maar zij kijken niet terug. Nu gebeurt dat vaker met mensen die op de tv verschijnen, maar een Nederlands politicus speelt in ieder geval nog dat hij mij wil bereiken, mij aan wil raken door het scherm heen.

In het geval van Clinton, Obama en Edwards kan ik er zeker van zijn dat hun rechtstreekse blik in de camera, hun retoriek en gezichtsmimiek niet voor mij zijn bedoeld. Ik ben geen Amerikaan, geen potentiële stemmer. Dus ben ik degene die kijkt, soms kijk ik op, dan weer neer, maar wat ik ook doe, ik word zelf niet gezien.

Vandaar dat mijn mening over Clinton, Obama en Edwards gekleurd wordt door een zekere provinciale wrok; de wrok van de Twen­tenaar die vindt dat Amsterdammers zich niets moeten verbeelden, terwijl het in werkelijkheid nog veel erger is gesteld. De Am­sterdammer denkt nooit aan de Twen­tenaar, ook niet in het diepst van zijn verbeelding.

Nu ga ik dus dingen vinden van de Ameri­kaanse presidentsverkiezingen, die, hoe waar of diepgravend ook, per definitie niet zullen worden opgemerkt door de mensen waar het over gaat. Bij voorbaat ben ik dus een stalker, een onzichtbare stalker zelfs, die niet eens voor overlast kan zorgen.

Eerst nog even over de politieke passie van Amerikanen, die ruimschoots het niveau overstijgt van wat wij aanvaardbaar vinden. Wij Nederlanders vergeten wel eens dat president Bush nergens ter wereld zo intens en volledig wordt gehaat als in Amerika zelf. Philip Roth geeft daarvan in zijn laatste roman een prachtig voorbeeld. Tijdens de presidentsverkiezingen van 2000, als uiteindelijk Bush en niet Gore wordt uitgeroepen tot winnaar, laat Roth zijn protagoniste schreeuwen: ‘Ik wil nu een abortus, en wel meteen. Ik ben niet zwanger, maar dat dondert niet. Een abortus wil ik.’ Ik wil maar zeggen: de SP heeft niet het alleenrecht op de Bush-haat.

Het infantiele, dat wij meteen zien in het gezwaai met die vlaggetjes en dat wij strikt hebben gereserveerd voor voetbal, leeft in Amerika ook als het om politiek gaat. Dat komt niet alleen omdat ze daar geen fatsoenlijk voetbal kennen, ook omdat ze zich bewust zijn van de wereldwijde impact van hun beslissing.

Amerikanen zijn de mensen die het gewend zijn altijd bekeken te worden, de topmodellen van de wereld. Wat zij doen, weten ze, wordt nagevolgd.

Nog nooit heb ik mij vanuit die net beschreven marge zo betrokken gevoeld bij de Amerikaanse verkiezingen. De belangrijkste reden is een sentimentele: Barack Obama is zesenveertig, ik ben zesenveertig, lieve help, een leeftijdsgenoot gaat misschien de wereld regeren, ik mag zelf ook wel eens opschieten met mijn plannen.

De macht heeft niet alleen mijn leeftijd aangenomen maar ook mijn kleur, of beter gezegd, mijn tussen-kleur. Barack Obama kan tegen al die zwarte Amerikanen, die hem niet zwart genoeg vinden, zeggen: ‘Maar ik ben je ware African American. Vader zwarte Keniaan, moeder blanke Amerikaan. Mooier kan je het niet krijgen.’

De gemengdheid van Obama roept bij mij herkenning op, of beter gezegd: de manier waarop hij daar mee omgaat. Hij schrijft bijvoorbeeld in zijn boek Dreams from my
father: ‘Ik was te jong om te weten dat ik tot een ras hoorde te behoren’. Hij is dan al tien, en precies die verbijstering herinner ik me: dat de wereld raciaal was ingedeeld zonder van tevoren even met mij te overleggen.

Hoort Obama nu tot de ‘witte elite’, Doekle Terpstra? Hoort-ie bij de ‘allochtonen’? Alleen al het feit dat Obama door zijn verschijning dit soort hemeltergend paternalisme onmogelijk maakt, vind ik een verdienste.

Het is ook een verademing dat Obama niet automatisch rekent op de zwarte stem: dat ‘the colour of his skin’ en ‘the content of his character’ bij hem gescheiden zijn, zoals Martin Luther King het ooit beloofde.

Maar het belangrijkste is toch dat Obama die merkwaardige, op niets gestoelde energie weet aan te spreken, die in de politiek zowel tot de gevaarlijkste als tot de noodzakelijkste grondstoffen behoort: die van de hoop. Zonder hoop geen reden om te stemmen.

En tegelijkertijd is die oningevulde belofte een valkuil, waar zich later de ene na de andere teleurstelling kan ophopen. Politiek is, anders dan econometrie, uiteindelijk een gecalculeerde gok. En die gok wil ik nemen. Horen jullie dat, Amerika? Hier Amsterdam.

En dat Obama zo hartverscheurend energiek een trapje op kan rennen. Dat, vooral.