VN MediagidsNaaste buur
24.11.2007
Vroeger was het ontembaar veel, en lichte kroes. Deed ik niets, dan werd het een paddestoel van haar die bij elke beweging stond te waggelen op mijn hoofd. Als puber vond ik dat een beetje gek, onplaatsbaar ook, want niemand in mijn omgeving had zo’n kroeskop, maar later, toen ik in de grotere wereld terechtkwam, merkte ik dat ik herkend werd door andere kroesharigen.
Dat leverde veel plezier op en soms ook misverstanden, want ik werd geacht talen te spreken die ik niet sprak en enorm veel te houden van een gekliefd schapenhoofd dat me dan dampend met ontbloot bovengebit op een bordje werd voorgeschoteld.
Net toen ik mij dat kroesharige zo’n beetje had eigengemaakt, werd deze mooie acculturatie verstoord door wat je toch een natuurlijk proces moet noemen. Het haar werd dunner, het ontembare werd zowat telbaar, en ik was kalend.
Ferm besluit: dan maar alles eraf, we gaan niet woekeren met het weinige dat ons nog rest. Waarschijnlijk ter compensatie liet ik zo’n vierdagenbaardje staan, omdat ik er nu van doordrongen was dat de natuur niet alleen geeft maar ook neemt, en dat je moet houden wat je nog hebt.
Vanaf dat moment kreeg de moslim in mij gestalte. Ik was weer eens de laatste die het doorhad, maar gelukkig waren er anderen om mij aan te spreken op mijn nieuwe rol. Oude mannen in roomkleurige gewaden begroeten mij regelmatig met ‘salam aleikum’, en er werden en worden van mij ook speciale diensten gevraagd, die ik bijna nooit begrijp.
In het begin knikte ik braaf en liet mijn omgeving in de moslimwaan, want ik wilde gratis en voor niets weleens die andere, verborgen wereld betreden, die voor mij als ongelovige ontoegankelijk was. Ik zou geheimen doorgronden, die de rest van Nederland ontging, ik zou ‘in the know’ zijn, zonder dat mijn voorhuid eraf hoefde.
Dat viel vies tegen. In het beste geval word je als medemoslim geacht een andere, oude geloofsgenoot te helpen met oversteken, of voor hem het woord te voeren in de apotheek. Maar meestal toch moet je geld geven, extra veel geld voor de broeders en zusters in Tsjetsjenië, Pakistan, Bangladesh, Afghanistan. Het valt ongunstig op dat nu juist de mensen van het topgeloof het overal zo zwaar te verduren hebben, als al die rampen zich voortdurend in Scandinavië opstapelden, zou je zeggen: ‘Wat is dat toch met die noordelijke god van ze, zijn Liefde heeft verdacht veel weg van straf.’
Medemoslims zijn geneigd elkaar te overvragen, ik zeg tegenwoordig ook geen salam meer terug, want je moet dan van alles en krijgen doe je niks. Drie keer siste de man ‘Marocco’ in mijn oor, drie keer schudde ik nee, en toen trok hij zijn troef. ‘Moslim’ dat was ik toch zeker wel, dat kon ik niet ontkennen. Ik ontkende, en hij begon te schelden, want nu was ik niet alleen onbehulpzaam, maar ook nog eens een godloochenaar, een verrader van ons beider geloof.
In de zeldzame gevallen dat het wel tot een echte uitwisseling komt, merk ik dat ik altijd geplaatst word als de naaste buur. Dus voor de Marokkaan ben ik de Algerijn, voor de Algerijn de Tunesiër, voor de Tunesiër de Egyptenaar. Ik ben dus altijd de meest nabije buitenstaander, en dat vind ik existentieel een prachtige positie, ik sta op de rand van wat nog vertrouwd is, je zou er bijna journalist van worden.
De afgelopen week heb ik iets nieuws gehoord op dat gebied. Het donkere meisje achter de kassa van de supermarkt buigt zich voorover en vraagt vertrouwelijk: ‘Nigeriaan, hè?’ Dit verbaast me oprecht, nee, daar kan ik haar niet aan helpen, maar zij misschien zelf? Ontzetting op haar gezicht, hoe kan ik dat nou denken, laatdunkend smakt ze met haar lippen, zij komt gelukkig uit Ghana, God zij gelooft en geprezen.
Maar waarom ik dan een Nigeriaan? Nou, die typische lichte kleur natuurlijk, die alle Nigeriaanse moslimhandelaren kenmerkt. Ik krijg niet de indruk dat zij warmloopt voor deze bevolkingsgroep.
Nee, de mensen verbroederen niet, hoe torenhoog de verwachtingen ook mogen zijn geweest, de mensen verburen, ze spannen zich in om iets herkenbaars in je te ontdekken, om je vervolgens voor het blok te zetten en te chanteren.
Dit heb ik ontdekt (en laat dit ook gezegd zijn aan dit saamhorigheidskabinet): de beste aller werelden is er een van verre vrienden.
