VN MediagidsNa Ayaan
27.05.2006
Ik was een van 30.758 mensen die bij de vorige verkiezingen een voorkeursstem uitbrachten op Ayaan Hirsi Ali. Ik denk daar met weemoed aan terug, want nooit eerder had ik het zo eenvoudig gevonden om tot een politieke keuze te komen, ik, die van wikken en wegen mijn beroep heb gemaakt.
Ik was een van de honderdduizenden mensen die op 16 mei naar Hirsi Ali’s persconferentie keken, die tegelijkertijd een afscheid was, van de Tweede Kamer, en van Nederland. En net toen ik ontroerd raakte door haar toespraak en de onwaarschijnlijke waardigheid waarmee ze die bracht, moest ik mezelf er aan herinneren dat ik tot een kleine minderheid behoorde. Ik weet nooit precies hoe betrouwbaar die peilingen van Maurice de Hond nou eigenlijk zijn, maar de peiler had uitgevogeld dat een meerderheid van het Nederlandse volk Hirsi Ali met droge ogen zag vertrekken. Met andere ogen dus dan de mijne.
Als er de afgelopen jaren sprake is geweest van een ‘Ayaan-effect’, dan is dat uiteindelijk toch veel kleiner geweest dan je op grond van de massale media-aandacht voor haar mocht verwachten. Hirsi Ali is altijd de oogappel geweest van zeer weinigen; de Pim Fortuyn van het kleinst denkbare smaldeel van de Nederlandse kiezers. Mij verbaast dat nog steeds, maar de cijfers zijn onverbiddelijk, onverbiddelijker dan de kamerbrede sympathie waar ze op mocht rekenen toen duidelijk was dat ze definitief zou vertrekken. Er waren ongelooflijk veel meer mensen die haar hartelijk wilden uitwuiven, dan toewuiven; veel meer die zich wilden inzetten voor een fatsoenlijk vertrek dan voor een fatsoenlijk verblijf. ‘Hoeveel vrienden heb ik gevonden?’ luidt de oude vraag. Dat hield bij Hirsi Ali niet over. Voor de meerderheid van de Nederlanders bleef zij toch de gast aan tafel, die pas ontroering opwekte toen ze afscheid nam.
Waarom die vergelijking met Fortuyn? Omdat de gevoelens van genegenheid en verwantschap die Hirsi Ali bij mij losmaakte, niet zo heel veel anders zullen zijn geweest dan de on-Hollandse liefde die Fortuyn bij miljoenen wist te genereren. Ik zag bij mezelf in het klein gebeuren, waar ik eerder verbijsterd over was geweest, toen het in het groot plaatsvond. Fortuyn was de man van ‘the millions’: Ayaan is nooit verder gekomen dan die dertigduizend en nog wat – een vrouw, afkomstig uit de ‘minderheden’, die een nog kleinere minderheid aan zich bond.
Lag dat aan haar? Ik ben nog steeds geneigd te zeggen: nee, het lag toch meer aan de mensen. Zonder het te willen is Ayaan erin geslaagd heel verschillende groepen een monsterverbond te laten sluiten. Xenofoob rechts moest niets van haar hebben omdat ze zo overduidelijk niet van hier was, bij ‘allochtoon Nederland’ kon zij geen goed doen, omdat ze zich gedroeg alsof ze g.v.d. wel van hier was, en het gros van links Nederland moest haar niet, omdat ze eigenlijk links hoorde te zijn, maar dat niet was gebleven. Zo konden verschillende partijen, die weinig tot niets met elkaar gemeen hadden, elkaar vinden in hun afkeer van Hirsi Ali. Ik heb in die onzalige verbintenis altijd een niet te missen element van rancune gevoeld – een van de gevaarlijkste gronden om politiek op te baseren.
Anders dan bijvoorbeeld J.A.A. van Doorn suggereerde, was Hirsi Ali zelf merkwaardig vrij van rancune. Nee, zij heeft nooit gesproken over ‘moslims als achterlijke mensen’ zoals hij in NRC Handelsblad beweerde, zij heeft de islam achterlijk genoemd, nooit de islamieten. Wie dat verschil niet begrijpt, moet eens nadenken over het communisme als misdadig systeem, zonder dat daarmee gezegd is dat alle communisten misdadigers zijn.
Michael Zeeman nog even, die Hirsi Ali de ‘Tara Singh Varma’ van de VVD noemt. Vreemd, ik heb Hirsi Ali nooit horen zeggen dat zij dood ging, wel heb ik anderen horen beweren dat zij dood moest. Maar misschien is dat verschil ook al weer te subtiel.
Was ik het altijd met Hirsi Ali eens? Soms niet, op hoofdlijnen wel, zoals je van mening verschilt met een vriend of een verwante geest. Maar god, wat ben ik blij dat zij dat zielige, oer-Hollandse model van ‘de allochtoon’ in haar eentje heeft opgeblazen. Want zielig, dat liet zij zich niet zeggen.
