VN MediagidsMijn later ik

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

25.11.2008

Door Stephan Sanders

Ik kende R.R. niet goed, maar ze was vroeger de buur geweest van Peter S., bij wie ik in huis woonde en bij wie ze later ook wel kwam eten.

Dat waren leerzame bezoeken, want R.R. zat vol met stelligheden, waar het Peter S. evenmin aan ontbrak, en ik zag dus als studentje hoe twee meningen het tegen elkaar opnamen. R.R. had meestal de betere argumenten, maar Peter S. kon verrassen met stellingen uit het ongerijmde, die een poëtische krankzinnigheid bezaten waar R.R. gevoelig voor was.

Ik kende haar dus al toen M.v.A., toen hoofdredacteur van de Groene Amsterdammer, voorstelde om R.R. te interviewen. Zij woonde al in haar Muiderpoortse bungalow, ze was veel van haar mobiliteit verloren maar haar mening niet. Ze vertelde over haar verblijf in Israël, een verhaal dat toen nog niet geboekstaafd was (postuum verscheen Over Israël) en daarna gingen we nog verder de wereld over, en belandden zo in Jamaica, waar zij met Aad Nuis had gewoond, en waarvan ik toen dacht dat mijn biologische vader er geboren was. Nu, ze wilde me best van alles over dat land vertellen, maar ik moest mij niet verbeelden dat die niet-gekende Jamaicaanse vader van mij ook maar in enigermate te vergelijken was met haar wel-gekende, Duitse vader die door de nazi’s was vermoord.

Ik dacht dat ook niet, maar stond versteld van de agressie waarmee ze de uniciteit van haar verhaal verdedigde, alsof er een absolute hiërarchie van belevenissen bestond die haar, in haar verlies, altijd liet winnen.

Zo ongeveer schreef Renate Rubinstein. Veel afkortingen van namen, veel namen überhaupt, voor namedropping voelde ze zich niet te goed. Bijna alle mensen die in haar columns figureerden waren iemand, hoogleraar of componist of dichter, en maakten deel uit van de wel- en vrijdenkende elite naar wie toen nog werd geluisterd. Je kan dat snobistisch van haar vinden, maar het is over het algemeen interessanter over haar meningsverschil met A. de S. te lezen dan met de melkboer, die trouwens ook al niet meer bestaat.

Liefhebber van Rubinstein werd ik al snel, niemand heb ik vaker geciteerd, en haar boeken horen tot de meest herlezene. De afgelopen week stuurde uitgever Tilly Her­mans mij een nieuwe uitgave van haar laatste boek Mijn beter ik, met een essay van Hans Goedkoop. Dat essay wordt op de achterflap ‘briljant’ genoemd, en dat is het ook, maar liever dan ‘briljante essays’ lees ik de beloof-
de biografie van Rubinstein, waar ik jarenlang op vlas.

Mijn beter ik is het boek waarin Rubinstein vertelt over haar laatste grote en geheime verhouding met Simon Car­mig­gelt. De tijd is genadeloos, ik ken bijna niemand die Car­mig­gelt nog leest, iemand die het wel deed zei: ‘Bo­mans is leuker’ en dat leek me een genadeklap. Ru­bin­steins almacht is met haar dood gebroken, er zijn zelfs jonge Nederlandse columnisten die haar werk niet kennen, ik vind dat net zoiets als bioloog zijn en Darwin niet lezen.

Mijn beter ik vond ik altijd de minste van haar boeken, niet omdat het moreel over de schreef ging (de kinderen van Carmiggelt leerden via dat boek over hun vaders verhouding) maar omdat het in zichzelf niet waarachtig is. Rubinstein wilde na Carmiggelts dood ‘een monumentje’ voor hem oprichten, en ook voor hun liefde, die zij met elfhonderd en nog wat briefkaarten kon bewijzen. Ik snapte dat, een geheime liefde is nog wel te doen, maar een geheime dode geliefde, dat is teveel, daar wil je krediet voor. Het onwaarachtige aan het boek blijft dat Carmiggelt er dol en dwaas verliefd in voorkomt, maar dat Renate’s gevoelens na een razende start allengs bekoelen, en zelfs op enig moment overgaan in achteloosheid, zoals Goedkoop terecht constateert. Iets daarvan had Rubinstein zelf ook in haar boek laten doorschemeren, maar het komt bijvoorbeeld als een verrassing dat zij drie maanden voor de dood van Carmiggelt nauwelijks nog contact met hem heeft. Over die sloot vol vragen springt Rubinstein wel heel rap heen.

Zelf heb ik altijd gedacht dat Mijn beter ik een bewijs was voor Rubin­steins roemzucht, haar vastbeslotenheid zich een plaats in de geschiedenis te verwerven, maar na dat stuk van Goedkoop denk ik dat het eerder schuldgevoel was dat haar dreef. Schuldgevoel over de nonchalance waarmee ze zich Carmiggelts liefde liet welgevallen, schuldgevoel dat ze na zijn dood omzette in een taalkundig mausoleum. Ze maakte via het schrijven goed wat ze in de liefde had verwaarloosd. Dat had de inzet van dat boek moeten zijn.

In haar eerdere boek Niets te verliezen geeft Rubinstein zichzelf advies na haar echtscheiding: ‘Weet je wat jij moet doen, jij gaat hele mooie stukjes in de krant maken waarmee je hem naar je terugschrijft.’

Dat deed ze toen tevergeefs, en later bij Carmiggelt was ze niet eerlijk genoeg haar makke toe te geven.