VN MediagidsMet open ogen ben ik in het raciale Kaapse drama gelopen

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving 06.01.2011

Door Stephan Sanders

We hebben er zo lang over gepraat, dat we de eigenlijke vlammen zijn vergeten. Hoe vaak is de afgelopen tien jaar het woord 'veenbrand' niet gevallen? Eerst is de brand nauwelijks zichtbaar, maar hij blaast zichzelf nieuw leven in en woedt door en door, totdat heel Nederland een zwartgeblakerd gat is geworden.

Schuldbewuste politici aan de rand van dit rampgebeid: zij hadden het kunnen weten, maar hebben niets gedaan aan de onvrede van het volk, of beter gezegd, het Goede Volk: onvrede over de massa-immigratie en de islam vooral, de regeltjes, de Marokkaanse krimi's en de absurde snelheidslimiet van die lousy 120 kilometer per uur, die ons nog net genadiglijk was toegestaan.
Iedereen waarschuwt voor die brand, hoewel er bijna geen veen meer over is en de laatste grote veenbrand dateert van 1917, toen zuidoost Drenthe verkoold achterbleef. Maar we begrijpen de metafoor, we praten in overdrachtelijke termen, daar zijn we aan gewend, zozeer zelfs, dat ik mijn ogen niet kon geloven toen ik daadwerkelijk de blushelikopters af en aan zag vliegen.

Maar eerst dit: met de feestdagen naar Kaapstad, want daar is de zon en veel minder Kerst. Weer naar Kaapstad, onderhand mijn tweede thuis, misschien ook omdat daar de Nederlandse onvrede verkruimelt tot Madurodam-achtige proporties. Ja, ja, ik weet het, de inwoners van onze oude stadswijken hebben na de oorlog een tweede oorlog moeten meemaken, toen al die Turken en schotelantennes en moskeeën zich in hun straat vestigden. Maar als je dat een oorlog noemt, hoe moet je dan de situatie beschrijven van de mensen in Kaapstad, die in dertig jaar tijd hun leven drie keer over de kop zagen gaan?

- Dat is geen verandering meer, dat is telkens de Franse revolutie

Het kan altijd nog erger, zeggen de cynici, maar hoe is het mogelijk dat Glanny, die al veertig jaar haar shop drijft in de wijk Greenpoint, de waterstofbom die op haar hoofd viel heeft overleefd? En dat zij nog steeds lacht (slechte tanden)?

Het is zo'n buurtwinkeltje, met snoepjes en sigaretten die per stuk worden verkocht. Vroeger, in the old days, bevoorraadde zij de villabewoners, allen blank, die groot inkochten. Nu loopt er van alles aan en zijn het hooguit verdwaalde toeristen zoals ik die nog wel eens in de bus willen blazen. Glanny heeft inktzwart haar, keihard geverfd, dat afsteekt tegen haar bleke teint, en spreekt dat binnensmondse Zuid-Afrikaanse Engels, waarvan je even denkt dat het Deens is. Nu werkt ze samen met een zwarte vrouw, die hier voeger alleen met een pasje mocht komen. Oude buurtbewoners zijn geëmigreerd naar Australië, en het nieuwe volk van alle kleuren wil bijvoorbeeld gaymagazines en die verkoopt ze dus nu ook.

Dat is geen verandering meer, dat is telkens weer de Franse revolutie die over je heen walst.
Glanny is dol op mij en mijn bruine man, en wij op haar en Kaapstad, want wij zijn toeristen, en dus vertrekken we op Tweede Kerstdag naar het strand van Clifton, alwaar de zee koel en het zand warm is. Ha, tintelende huid, nu een biertje erbij en dan twee zwarte agentes die vragen: 'Wat drinken wij hier?'

Ik weet ineens weer: verboden alcohol te nuttigen op Kaapse stranden, overblijfsel van apartheid, het kon zo makkelijk uit de hand lopen in die dagen, en ik zeg: 'Wij drinken bier.' Zwarte agente leest in zeer gebroken Engels lesje, en spoelt flesje leeg op strand. Nu ontdekt ze het tweede flesje in mijn tas, en haar collega wordt zo boos, dat ze dit tegen dichtstbijzijnde rots stuk slaat. Dan loopt er een blanke vrouw voorbij, ze wijst op de scherven op het drukke strand en vraagt of zwarte agente wel helemaal lekker is, met al die blote kindervoetjes en zo.

Zwarte agente voelt zich betrapt, wil haar gezag herstellen en roept nu dat ze mij kan arresteren. Met open ogen ben ik in het raciale Kaapse drama gelopen.

Ik ben nu zeer gezeglijk en niet van hier, vooral.

Ik hoef niet naar de cel, ik mag gewoon met man naar huis, en op de terugweg is er al die wind, strak uit zuidoostelijke richting, die de volgende dag aangroeit en door blijft blazen en door blijft blazen, totdat ook Glanny zegt: 'Ja, dat is nu de Cape Doctor, de straffe zuidooster die alles schoonveegt.'

Maar ook aanwakkert, mijn god, want weer een dag later staat de Seinheuvel in brand, driehonderd meter, tweehonderd meter van ons vandaan.
Echte vlammen, echte brandweer, het fijnbos wordt per windstoot weggevreten.

Wij naar buiten, paspoort in de hand, wat nu, wat nu?

'Is brand, gaat over,' zegt buurman.

Wij gespannen op de uitkijk. Nog de hele dag brandt de heuvel, maar de locals barbecuen door.

[reageren]