VN MediagidsMan/man
28.04.2007
Sommige dingen liggen zo voor de hand, dat het niet de moeite loont ze op te rapen. Stel, er verschijnt een kritisch artikel in de krant, bijvoorbeeld over de onleefbaarheid van de gemeente Hilversum, dan kun je er vergif op innemen dat de ingezondenbrievenrubriek daarna volstroomt met lezers die het daar ten enenmale niet mee eens zijn. Was getekend, mevrouw Jansen, meneer Meijerink en meneer Waterberg, allen wonend te Hilversum.
Toen er deining ontstond over de zogeheten weigerambtenaren, die het niet met hun geweten kunnen rijmen om homo’s te trouwen, leek het me zozeer een kolfje naar mijn hand, dat ik me maar met moeite kon beheersen. Toch liet ik dat kolfje liggen, omdat ik vond: laat anderen dat nu maar eens schrijven, mensen die wat minder homo zijn dan ik, die de schijn van eigenbelang makkelijker van zich af kunnen schudden.
Dat gebeurde, er werden kritische noten gekraakt door onverdachte mensen die ook nog eens getrouwd waren met iemand van het andere geslacht. Een van hen was Paul Scheffer: hij gaf een interview aan het Nederlands Dagblad, het huisorgaan van de ChristenUnie, waarin hij nog eens uitlegde waarom het geen goed idee is die ambtenaren hun geweten te laten volgen of daar speciale rechtsbescherming voor in het leven te roepen. ‘Draai het eens om,’ zegt Scheffer. ‘Stel dat bruidsparen mogen bepalen dat ze niet door een homo getrouwd mogen worden. In Vlaanderen willen sommige stellen niet door een zwarte ambtenaar getrouwd worden en daar zijn we terecht boos over. We moeten wat dat betreft strak zijn in de leer.’
Ambtenaren moeten de wet dienen, zegt Scheffer verder nog, en loyaal zijn aan de neutrale overheid die hen in dienst heeft genomen. Ik vond dat verstandig gesproken, maar een lezer van het Nederlands Dagblad dacht daar anders over. Niet zomaar iemand, maar een emeritus hoogleraar in de filosofie, Henk G. Geertsema. Hij stuurde een reactie naar de krant, maar die vond een en ander een tikje te uitvoerig voor publicatie, zodat Geertsema zijn kritiek maar aan Scheffer persoonlijk doorzond. En omdat ik Scheffer ken, vertelde hij mij: ‘Ik heb nu toch een lange brief gekregen. Kijk jij eens of je er wijs uit wordt.’
Ik kijken, ik lezen, maar ik toch niet helemaal begrijpen. Die Geertsema is een geoefend spreker en schrijver, dat mag natuurlijk ook wel voor een hoogleraar filosofie, maar de kern van zijn betoog is niet een-twee-drie te vatten. Nog niet eens omdat die zo ingewikkeld is, maar omdat het zo kinderachtig is.
Dit schrijft hij: ’De weigerambtenaren weigeren niet om mensen te trouwen vanwege hun seksuele geaardheid, maar omdat zij van hetzelfde geslacht zijn. De ambtenaar vraagt niet aan betrokkenen naar hun seksuele geaardheid, maar constateert dat het gaat om twee personen van hetzelfde geslacht.’
Ik ben altijd verzot op denkwerelden die niet vanzelfsprekend de mijne zijn, maar op deze zin heb ik toch lang moeten kauwen. Niet de homoseksualiteit is het probleem, maar de gelijkgeslachtelijkheid. Maar dat is toch een woordspelletje, een sofisme? Hoeveel niet-homoseksuele mannen zouden er nu met een andere man willen trouwen? Zo’n argument is een em. hoogleraar filosofie toch onwaardig?
Toch begon het langzaam tot mij door te dringen hoe deze Geertsema denkt. Ik ben geneigd te geloven dat het huwelijk er is voor de mensen die er gebruik van willen maken, maar Geertsema vindt dat de mensen er zijn voor het huwelijk. Dat huwelijk is een goddelijk verbond, en de mensen moeten daar inpassen, als vormpjes in een mal. Dus: man/vrouw en nooit man/man, of vrouw/vrouw, want dat tast de huwelijksvorm aan en die is heilig.
Maar, denk je dan, de meeste mensen willen toch helemaal geen goddelijk verbond, die vinden een burgerlijk huwelijk al mooi zat? Waarom willen die christenen toch altijd ook niet-gelovigen de wet voorschrijven?
Omdat, denk ik, diepgelovige christenen willens en wetens aan getuigenis doen, net zo goed als diepgelovige islamieten. De vrijheid van godsdienst is ze niet genoeg, ze moeten anderen bekeren, ook als die anderen daar helemaal niet op zitten te wachten. Ze kunnen het niet verkroppen dat de overheid niet compleet onder de indruk is van het bijzondere van hun geloof. Maar dat is de overheid niet: die zegt, u mag geloven wat u wilt, moslim, jood, hindoe, christen, het is ons om het even.
Weg uitzonderlijkheid. Die krenking levert de geestdrijverij op, die diepgelovigen tot zulke gevaarlijke mensen maakt.
