VN MediagidsIn Twente
22.03.2008
Er valt altijd wel een reden te verzinnen om naar Twente af te reizen. Zo kan ik daar het graf bezoeken van mijn moeder, en als ik daar dan toch sta, denk ik ook even aan mijn vader, want die ligt er ook. Mijn zusje niet, die is gecremeerd, en waar ze is uitgestrooid, ik weet het niet.
Gek genoeg kost het me meestal geen moeite om niet naar Twente af te reizen. Daar ligt het land van mijn jeugd, en die jeugd is lang geleden, er is niets van over. Ik ben er een beetje huiverig voor, ik word er huilerig van. Maar nu had iemand anders mij een reden gegeven naar Twente af te reizen: ik moest daar het Twents lezersfeest presenteren, in Oldenzaal, het stadje waar ik ben schoolgegaan.
Er is iets geks met zo’n jeugd in Twente. Ik ben het beter gaan begrijpen door mijn Surinaamse geliefde. Eigenlijk zeggen ouders in Twente met zoveel woorden tegen hun kinderen: ‘Als je van me houdt, ga dan weg van me.’ Wat ze bedoelen is: ga studeren, ga naar Groningen of Amsterdam, want daar kan je verder leren’ Bij Surinamers gaat het er niet veel anders aan toe, maar de uitwerking is dramatischer: Daar moeten ze een hele oceaan oversteken om een goeie universiteit te vinden.
Uithoeken. Je moet er weg, om op zoek te gaan naar het centrum, maar zodra je dat doet, geven je ouders een tweede, dwingend advies mee: ‘Maar je mag Twente (Suriname, de Antillen) nooit vergeten.’
Ik kon niet wachten om advies één op te volgen, en ik heb altijd net gedaan alsof ik advies twee niet had gehoord.
Ik versta Twents, alle Twents, of het nu in Ootmarsum, Enschede of Denekamp wordt gesproken (elke stad, elk dorp zijn eigen dialect), maar zodra ik het zelf spreek, wordt het pathetisch. Ik klink als een Amsterdammer die een halve cursus Twents heeft gevolgd en nu de inboorlingen naar de mond wil praten. Dit is altijd zo geweest, ook toen ik nog in Twente woonde. Ik sprak ‘Hoog Hollands’ zoals mijn vriendjes het noemden, en van de weeromstuit deden ze moeite Hoog Hollands tegen mij terug te spreken.
Ook daarom heb ik het gevoel dat ik die Twentse jeugd van mij gedroomd heb, verzonnen, dat die niet echt heeft plaatsgehad. Ik spreek nooit meer mensen uit mijn jeugd, ze zijn dood of ze wonen in Twente, en daar kom ik dus niet.
Maar nu dus wel, om redenen van de Boekenweek: ik ben niet eens zo oud, maar de dingen leken lang voorbij. Er zat een man in de zaal die denkelijk de grote alternatief van Oldenzaal was, want hij droeg een enorme, witte zonnebril en had een mal jasje aan. Na afloop kwam hij naar me toe en siste wat ik zelf al dacht: ‘Jij bent geen echte Twentenaar.’ ‘Nee, volgens de wetten van Hitler niet,’ had ik moeten zeggen, maar dat verzon ik pas later, terug in de trein naar Amsterdam.
Maar verder werd alles veel leuker dan ik had durven hopen. Er waren jongens van mijn middelbare school, die nu middelbare mannen waren geworden, net als ik. Ze deden alsof wij elkaar gisteren nog voor het laatst hadden gezien, en niet dertig jaar geleden. Ze vertelden dingen die ik was vergeten: dat ik op klompen door de school had gelopen, dat ik mijn haren rood had geverfd, dat ik witte overalls droeg en bandana’s om mijn hoofd. Ze lieten soms ook de naam van mijn zusje vallen, alsof die niet al veertien jaar dood was. Er was een lerares die haar gymles had gegeven. Die was wel oud, maar niet dood. Ze zei dat E. zo goed was geweest in gymnastiek. Ik dacht: het heeft haar niet geholpen.
We spraken over meisjes, wie met wie had gezoend. Mijn score was een beetje sneu, want mijn meisjes bleken allen lesbisch te zijn, of te zijn geworden. Gelukkig werd daar goedmoedig om gelachen. Ik kon natuurlijk ook vertellen over de jongens die ik had gehad, dat waren er veel meer, maar dat vond ik niet zo kies, want ik wist dat de meesten dat niet wilden weten.
En toch het gevoel, toen en daar, dat het echt had bestaan, dat het geen verzinsel was.
Op weg naar de trein, langs het kraakpand (afgebroken) waar mijn zusje lsd nam, langs het café (weg), waar ik stiekem Jägermeister dronk, langs het eerste huis van mijn ouders (geruimd).
Maar het zat nu in mijn kop. Ik kon weer verder.
