Vrij Nederland In Paramaribo

In Paramaribo

Twee dagen, veel langer duurt de inburgeringscursus niet die toeristen nodig hebben

Door Stephan Sanders

Twee dagen, veel langer duurt de inburgeringscursus niet die toeristen nodig hebben

Door Stephan Sanders

Het is belachelijk en ontroerend tegelijk. Belachelijk, want die mensen zijn net gearriveerd, en hoe durven ze zich een omgeving toe te eigenen die ze nauwelijks kennen. Maar ontroerend is het ook. Ik bedoel dit: er zitten twee vakantiegangers op een terrasje, en één van hen kan nu rustig zeggen: ‘Blijf jij maar, ik ga alvast naar huis.’ ‘Huis’: bedoeld wordt het hotel of strandappartementje waar ze heel kort geleden hun intrek hebben genomen na een flink vertraagde vlucht.

Twee dagen geleden kwamen ze hier aan, en aanvankelijk leek het allemaal unheimisch. De busrit van het vliegveld naar hun tijdelijke verblijf duurde eindeloos. Geharrewar aan de balie, als blinde mollen kropen ze hun kamer binnen. En hoor ze nu: 
‘Ik ga alvast naar huis.’ Wat een adaptatievermogen. Alsof ze nooit anders hebben gekend. Kijk, daar kunnen migranten en asielzoekers die zich zo nodig in Nederland willen vestigen een voorbeeld aan nemen. Twee dagen, veel langer duurt de inburgeringscursus niet die toeristen nodig hebben. En dat is inclusief het mondje Portugees – ‘Waar kan ik mijn pruik in de rollers laten zetten?’ – dat ze tegen die tijd ook onder de knie hebben. Het valt hooguit een beetje tegen dat deze modelverhuizers bijna reikhalzend op de bus staan te wachten die ze weer naar het vliegveld brengt. Ze leken zo moeiteloos op te gaan in hun nieuwe omgeving. En al die tijd bleek het onderpand van hun fantastische kameleongedrag hun retourticket te zijn. Het kleine, sociologische wonder, zoals boven beschreven, met inbegrip van de anticlimax, vindt op dit moment duizenden en duizenden keren plaats, in alle bekende vakantiebestemmingen.

Maar nu dit: ik schrijf u vanuit Suriname, en het vervelende is dat het mij niet lukt een toeristische verhouding met dat land aan te gaan. Ik kan dat met enige zekerheid stellen, omdat ik in de loop van de tijd zo’n tien of twaalf keer Paramaribo heb aangedaan.

Na een week is 'no span' mijn motto

De ervaring leert: de eerste twee dagen zijn een hel omdat ik mij opstel als een Teleurgestelde Surinamer die zijn geboortegrond weer ziet, en meer verval dan vooruitgang ontdekt. Dus niets is goed. Waarom is de service zo beroerd, weer een casino erbij, ja daar hadden we echt behoefte aan, en hoe komt het dat iedereen zich in het verkeer gedraagt alsof er een zojuist een tsunamiwaarschuwing is afgegeven.Het probleem is: ik heb geen recht op deze woede, want ik ben geboren noch getogen in Suriname, en ik kan me ook niet laten voorstaan op bloedbanden met het land. Waarom niet het gratuite voordeel van de twijfel dat ik eigenlijk voor alle landen buiten Nederland reserveer?Het verloop van deze ‘vakantie’ is ook bekend. Na drie dagen begin ik mijn verzet tegen Suriname op te geven. Na een week is ‘no span’ mijn motto. En na twee weken moet ik oppassen niet de bus terug naar het vliegtuig te missen. Wat ik doe: ik prop in precies veertien dagen de gehele cyclus waar een vluchteling uit Oeganda zo’n jaar of tien over doet. Verzet, langzaam afbrokkelen van verzet, heimwee, conservering van de heimwee, pijnlijke ontdekking dat de heimwee foetsie is. Al die rompslomp voor een land waar ik mij helemaal niet hoef te vestigen.

Een land dat ik zo af en toe bezoek – als een oudtante.

Volgens mij gebeurt er dit: ik heb een paar goede Surinaamse vrienden, sinds mijn twintigste ben ik gevoed met verhalen over dat land, en zonder dat ik het wilde of wist, heb ik die verhalen geannexeerd. Hun jeugd is mijn jeugd geworden, hun verplichtende relatie met het land – moeder, vader die er woont, de middelbare school – zie ik intussen als mijn plicht. En die Hollanders, die alles hier zo geestig vinden, daar hoor ik dus niet bij.

Daar hoor ik dus wél bij, bij die Hollanders. Ik weet het, maar het wil er gevoelsmatig niet in.Het helpt ook niet voor een taaljunk als ik dat iedereen hier Nederlands spreekt. Dat zeggen ze ook van de Nederlandse Antillen, maar dat is gewoon niet waar.Als mensen ’s ochtends zeggen: ‘Goeiemorgen, mijnheer,’ en niet gewoon ‘nee’ als ze ‘nee’ bedoelen, maar het jaren vijftig ‘Neen’, als in formulieren, uitgesproken met nadrukkelijke eind ‘n’, dan is alle vrijblijvendheid verdwenen.En wat helemaal niet helpt: de eerste die me hier drieëntwintig jaar geleden naartoe bracht, was Anil Ramdas, Surinamer – in elk geval tot zijn twintigste. Hij had een zeer gecompliceerde relatie met zijn geboorteland, en dat is uitsluitend opgelost omdat Anil Ramdas, zoals u weet, dood is.

Ik moet dat voortzetten.

06-08-2012 / Leven / Toerisme