VN MediagidsIn Joris als in de Heer
10.11.2007
Wel twee prijzen, maar geen prijswinnaars. Sinds Arnon Grunberg er een gewoonte van maakt verstek te laten gaan, is dat heel deftig geworden, maar in dit geval was er meer aan de hand.
De Dick Scherpenzeelstichting stelt zich ten doel ‘berichtgeving over niet-westerse landen te bevorderen’, en kent jaarlijks twee prijzen toe, een pers- en een fotoprijs. De eerste was voor journalist Joris Luyendijk en zijn boek Het zijn net mensen, de tweede voor fotograaf Sven Torfinn. Die twee hadden zich niet gedrukt, die twee waren alweer aan het werk ter bevordering van de berichtgeving over niet-westerse landen. Heel voorbeeldig, alsof Ajax geen tijd zou hebben om de Champions League-trofee in ontvangst te nemen, omdat ze constant aan het voetballen zijn.
Sven Torfinn zat op het moment van de bloemen en de oorkonde in Darfur, wat volstrekt overtuigend was, en Luyendijk in Suriname – qua ontberingen en gevaar net even wat minder. Maar er kon via Skype verbinding worden gemaakt, en even later zagen we Torfinn vanuit het streng islamitische Darfur proosten met een glaasje gedestilleerd water, en verscheen Luyendijk ochtendfris in beeld, want vijf uur tijdsverschil.
Dat was leuk, bijna nog leuker dan de lijfelijke aanwezigheid van de winnaars, maar daarna moesten de aanwezigen zich toch echt zelf vermaken in het Utrechtse zaaltje. En omdat het merendeel van die mensen journalist was werd er al snel gediscussieerd, over het vak natuurlijk en al heel snel over Luyendijks beschuldigende boek over het vak, dat zo’n onvoorstelbaar succes heeft.
Ik noem vier winnaars van een andere prijs, de NS publieksprijs, waarbij ‘gewone lezers’ hun favoriet mogen bepalen, net zo goed als dat ‘gewone burgers’ per referendum mogen stemmen. 1. Kluun, Komt een vrouw bij de dokter. 2. J.K. Rowling, Harry Potter en de vuurbeker. 3. De Nieuwe Bijbelvertaling. 4. Joris Luyendijk dus, met zijn boek over beelden uit het Midden-Oosten. Als iemand mij vijf jaar geleden had verteld dat een boek over het journalistieke metier zou kunnen concurreren met Harry Potter, had ik ’m finaal uitgelachen, maar Luyendijk heeft wel degelijk het hart weten te stelen van ‘gewone lezers’, waaronder opvallend veel middelbare vrouwen en jonge meisjes. Dat heeft waarschijnlijk niet alleen te maken met zijn boek, maar ook met zijn rechte, jongensachtige smile, die op tv zo goed tot zijn recht komt. Ik sprak zo’n meisje, van begin twintig, die werkelijk in Joris was zoals anderen in de Heer, en zij wist me precies te vertellen wat Joris had bedoeld en waarom en hoezo.
Luyendijk verstaat het vak mensen te laten smelten. Maar met zijn boek is meer aan de hand. Vijf jaar werkte Luyendijk als correspondent in het Midden-Oosten, en toen hij daarmee klaar was, schreef hij dus op waarom niemand eigenlijk correspondent kan zijn in het Midden-Oosten. Want alle berichten uit een dictatuur zijn altijd ‘gefilterd, vervormd, gemanipuleerd, partijdig en versimpeld’.
De meeste journalisten die dat boek lazen, haalden hun schouders op en mompelden ‘what’s new’. Maar de ‘gewone lezers’ waren geraakt. Hier zien wij dus een kloof tussen de beroepsgroep en het publiek dat deze probeert te bedienen, en die bleek ongeveer even groot als de afstand tussen de gewone burgers en Den Haag. Alle journalistieke dilemma’s die Luyendijk beschrijft, zijn voor verslaggevers herkenbaar genoeg, maar voor het publiek is het kennelijk allemaal nieuw en choquerend. Zijn wij van de schrijvende pers in het verleden te zuinig geweest met onze aarzelingen en onzekerheden, hadden we onze lezers vaker deelgenoot moeten maken, niet alleen van wat we weten, maar vooral ook van wat we niet weten? Het zou kunnen, al ligt hier het gevaar van een onleesbare krant op de loer, die geheel gevuld raakt met persoonlijke ontboezemingen. ‘In Pakistan zijn honderden tegenstanders van president Musharraf opgepakt, maar het kunnen er ook 199 zijn, want ik heb ze niet persoonlijk kunnen tellen.’
Journalisten zijn gewend cynisch te denken over nieuws, maar het publiek is dat veel minder. Als Luyendijk met enige omhaal van woorden beschrijft dat ze ‘gemanipuleerd’ worden, weten de mensen precies wat hij bedoelt. Zie je wel, ze belazeren je waar je bij staat. Wie? De media. Waarom: om ons eronder te houden.
Dat laatste zegt Luyendijk helemaal niet, maar het is wel de post-Fortuynstemming waarin zijn boek kon gedijen. Den Haag: een boevenbende. De media: de firma list en bedrog. Luyendijk schreef hét boek voor ‘gewone mensen’.
