VN MediagidsHet huis van '68
17.05.2008
Het is een huis waarin ik heb gewoond, in de verkeerde tijd, toen het huis al veel van zijn roemruchtheid had verloren en als het ware verliefd terug keek op het eigen verleden.
Het was het huis waar Peter Schat woonde, en zijn vrouw Marina, en zoon Bas, en zo vele andere mensen (Annemarie Grewel, Jan Hein Donner, een hoerenmadame die ook nog heroïne dealde): het huis waar in de kelder de Provo-rookbom tegen Beatrix werd gefabriceerd, waar Cuba werd bezongen, Reconstructie werd bedacht, de Revolutie iedere keer weer werd uitgeroepen, om later, in de jaren zeventig alsnog veroordeeld te worden, toen Renate Rubinstein er huisvriend werd en de rede weer zijn intrede deed.
Dat huis aan de Oude Zijdse Voorburgwal staat nu te verkommeren. Ik ben er na de dood van Schat niet meer geweest en dwaal nu door het verleden, dat toen nog met touwtjes aan elkaar hing en nu definitief is ingezakt. Alles wat ooit een soort van linkse glamour had, is nu schamel geworden; de open wc met zijn twee deuren waar je nooit rustig zat vanwege de passanten; het herbarium daarboven, met zijn brulkikkers (dood); de vijver ernaast, de schildpadden die er ooit ronddreven; de keuken waar complotten werden gesmeed, bijvoorbeeld om de chemische fabriek in Terneuzen onklaar te maken vanwege levering aan de oorlog in Vietnam.
Dit huis is het steengeworden ’68, en het is voorbij, mijn god wat is het voorbij.
Zoals gezegd, ik was het nakomertje, toen ik er woonde liep de geschiedenis al op haar laatste benen, ik was degene aan wie de verhalen werden verteld, de kleinzoon die moest luisteren. Dat heb ik gedaan, met het soort rechtse opstandigheid dat opa’s uiteindelijk weten te waarderen.
Maar dat het huis zo stil zou vallen, zo uitgeleefd zou raken – dat had ik niet kunnen voorzien.
Ik was zeven toen het ’68 werd, mijn bekommernis om Vietnam was miniem. Toch voel ik mij een adoptiekind van die tijd, al was het maar omdat de vanzelfsprekendheid van mijn seksualiteit toen begonnen is, en omdat de vrijheid van mijn moeder, mijn zus en mijn vriendinnen daar een aanvang nam. Vrouwen, homo’s – dat zijn de werkelijke erfgenamen van die tijd, die aanvankelijk revolutionair links leek, alsof er nog echte arbeiders te vergeven waren. ’68 is agendajournalistiek geworden, het heimwee van Nieuw Links dat nog een keer mag opscheppen over haar eigen verleden. Ik merk dat ik de herinneringsartikelen links laat liggen, niet nieuw links, maar vermoeid links.
Er is een uitzondering: het fabuleuze boek dat de Amerikaanse journalist Paul Berman schreef, in het Nederlands vertaald als Idealisme en macht.
Daarin het verhaal van ’68, dat als je eerlijk bent veel meer impact heeft gehad in Noord- en Zuid-Amerika dan in Parijs of Amsterdam. In Mexico vielen echt slachtoffers, in Noord-Amerika ging het om burgerrechten, zelfs voor de neger. Wij deden uche, uche, en dat is grappig en gek en nauwelijks ter zake doende.
Paul Berman nam de geschiedenis van Joschka Fischer tot uitgangspunt, de Duitse revolutionair die in de jaren zeventig nog stenen gooide naar de politie en die in de jaren negentig minister van Buitenlandse Zaken werd. Berman laat zien hoe ’68 heeft doorgewerkt in de geschiedenis, en hoe de oorlog om Kosovo, Afghanistan en in zekere zin ook Irak een product zijn van die linkse verbeelding, die het pacifisme heeft afgelegd en het internationalisme serieus is blijven nemen.
Fischer was een voorstander van ingrijpen in Kosovo en Afghanistan, hij heeft er zijn eigen partij Die Grünen voor moeten omlullen, en dat deed-ie buitengewoon overtuigend. Even leek het erop dat er zoiets bestond als een linkse, humanitaire oorlog, een oorlog tegen het totalitarisme, die in dienst stond van de mensenrechten. Dat was een rijping van de geest van ’68, een doordenking van zowel het nazisme als het communisme, die leidde tot een links liberale conclusie.
Ik herinner me hoe Peter Schat juichend voor de televisie stond toen Afghanistan van de taliban werd ontdaan (althans voorlopig). Ik juichte met hem mee. Twee generaties hadden elkaar gevonden.
Berman beschrijft hoe die volwassen geworden tijdgeest haar Waterloo heeft gevonden in Irak; hoe het idealisme van de mensenrechten werd ingeruild voor de ideologische dictatuur van America First. Ook Peter Schat, ook ik, waren aanvankelijk overtuigd van de noodzaak van die oorlog, omdat we eenvoudigweg niet konden bedenken hoe een Amerikaanse president de boel zo zou kunnen verklungelen, de situatie zo zou kunnen onderschatten.
Bush heeft ervoor gezorgd dat de humanitaire interventie weer een gotspe werd, iets waar je maar beter niet aan kan beginnen.
Dat is zíjn ideologische erfenis – en de genadeklap voor ’68.
