VN MediagidsHet beschermende Duo

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

27.12.2008

Door Stephan Sanders

Onuitroeibaar is het menselijk verlangen naar de exclusieve verbintenis, naar het duo-schap: niet alleen in de liefde en de seks, maar ook in het werk, zodat we inmiddels vertrouwd zijn met het fenomeen van het werkhuwelijk.

In het eerste jaar van mijn middelbare school was ik Koot en mijn beste vriend De Bie. Wij spraken uitsluitend met elkaar als Koot & Bie. De omgeving werd er horendol van en wij wilden wel anders maar vreesden de leegte die zou resteren als wij ophielden met onze geritualiseerde conversatie.
Uiteindelijk hebben we het dapper, moedig toch gedaan, en toen bleef het stil. We lachten gegeneerd en ieder ging subiet een andere kant op. Het was de vorm die ons bij elkaar had gehouden en die vorm was, anders dan de omstanders dachten, van levensbelang.

Koot & Bie, Bram & Freek, mannen zijn beter in het werkhuwelijk dan vrouwen, en dan laat ik Bassie & Adriaan nog buiten beschouwing. Het is van groot belang dat ook dit huwelijk publiekelijk wordt goedgekeurd en gezien door de gemeente. Daartoe stapt men niet naar de burgerlijke stand, maar naar de televisie. Het werkhuwelijk wordt door de kijkers gesanctioneerd, ineens ben je ongelooflijk veel wij, en voordat je het weet zit je er ook echt aan vast. Echtscheiden kan, maar kost als altijd veel lijden.

Ik weet dat ik gevoelig ben voor het duo-schap. In de liefde en in de seks vond ik dat lange tijd de moeite niet, maar in het werkzame leven, ja. Nu moet ik iets bekennen. Mijn rol in het duo is de passieve, de klassiek vrouwelijke. Iemand moet mij ten dans vragen. Ik ben daar niet trots op, liever was ik de jager geweest, maar het komt niet in me op. Ik zit en wacht en iemand komt me halen. Zo gaat het. Zal wel die adoptie zijn.

Dus kwam A. in mijn leven. Hij had het allemaal al uitgedacht, wij werden een duo, A. & S., vooruit, S. & A.: wij zouden daartoe samen praten, lachen en ruziën, en ook samen schrijven, en radio en televisie maken.

Ik was gecoiffeerd, dat tuttige woord moet maar eens gebruikt worden, en het moet gezegd: wij pasten bij elkaar, op het eerste en ook tweede gezicht. Twee lichtbruine jongemannen die het beter wisten. Er waren toen al mensen die onze gezamenlijkheid begonnen te mijden, want je kon net zo goed bij een lang getrouwd echtpaar op bezoek gaan dat het te druk heeft met kibbelen om op de visite te letten. We waren erg samen, en de rest van de wereld was ons publiek.

Ik had het zelf kunnen bedenken, maar deed dat niet, en ineens hoorde ik het onbestaanbare uit de mond van A. Hij zei tegen iemand: 'Nee, dat doen wij niet, want wij…'. Het 'wij' van A. was van een zeldzame vanzelfsprekendheid. Niemand durfde het te betwisten. Ik vond het krankzinnig, en genoot er tegelijkertijd stiekem van. Ik was een 'wij', en 'wij' konden iets vinden, ook als ik er nog niets van vond.

Toen kwam de televisie en zagen anonieme mensen ons duo-zijn. Sinds die tijd werd ik aangesproken op stukjes die A. had geschreven, en kreeg hij complimenten of woede te verduren over iets dat ik had gezegd. In het begin probeerde ik de zaken nog recht te zetten, maar ineens is er het moment dat je zo een ‘wij’ bent geworden, dat het de moeite niet meer loont. ‘Ja,’ zei ik dan, ‘die reportage uit Suriname, dat was een hele klus’ (werk van A.). Hij verdedigde mijn recensies met een felheid die ik niet opbracht.

Toch nog even het woord aan Frans Kellendonk: 'Ze werden een duo en een duo is altijd komisch. Een duo is een vleesgeworden paradox. En een duo spat altijd uit elkaar, omdat de tegenstellingen die maar heel betrekkelijk zijn in de grote wereld binnen het duo extreem en absoluut worden. In een klassiek huwelijk gaan de man en de vrouw op elkaar lijken, maar twee mannen (…) worden elkaars tegenvoeters, en vaak elkaars vijanden.'

A. ging daarna naar India en veel verder weg had hij niet kunnen gaan. Ik bleef hier en bezocht hem niet, ondanks zijn herhaalde uitnodigingen. Zagen we elkaar toch, dan betrapten we elkaar op verlegenheid.

Moet ik nu zeggen: blij weer op eigen benen te staan? Het zij zo, het is vast beter, maar wat was het spannend, die beschermende waan van het duo-schap. Wat hebben we wat afgelachen, -gelogen en -geleden.