VN MediagidsHechting zonder historische of biologische wortels
01.07.2010
Druk doende de boeken, broeken en cd's uit mijn Almeerse flat weer terug te slepen naar mijn Amsterdamse huis, want de 'verkenningsfase' zit erop, van bewoner zal ik weer bezoeker worden van Almere.
Vanaf het balkon nog een weemoedige blik op het Weerwater, de plas voor mijn deur die in de zomer op zijn spectaculairst is. Schreef eerder dat het uitzicht me deed denken aan Zuid-Frankrijk, ook vanwege de knaloranje balustrade, die alles in een on-Nederlands licht doet baden. Maar de laatste tijd zie ik er steeds meer een Fins plaatje in: het water, de bomen daarachter die voor mij als stadsmens al snel de proporties van een bos aannemen, het eilandje dat daar loom ligt, een île flottante.
Ik vond het anders hier, heel buitenlands, vooral ook omdat ik me de hele tijd realiseerde dat deze omgeving een stuk jonger is dan ikzelf. Almere moet nog vijfendertig worden, en waar mijn oog ook dwaalt, de kunstmatigheid ligt hier voor het oprapen. Nu scheelt het dat ik het stadspark altijd indrukwekkender heb gevonden dan het oerbos; dat het door mensen gemaakte me eerder ontroert dan de eeuwenoude boom. De ontroering zit 'm in de menselijke poging de natuur na te bootsen, te plannen en dus naar eigen hand te zetten.
Want dat is de kwestie in Almere: is het mogelijk dat mensen zich hechten aan een plek waar zij geen historische wortels hebben liggen? Al deze bewoners, die niet zo lang geleden tamelijk toevallig bij elkaar kwamen, van heinde en verre, kunnen die het campingbewustzijn overstijgen?
En is dat eigenlijk nodig?
Tussen de verhuisbedrijven door wachten er ook andere, sociale verplichtingen, en één daarvan heeft te maken met mijn familie - of beter gezegd, het gecompliceerde, biologisch bijna nooit verwante deel dat die naam draagt.
Mijn moeder had de gewoonte nogal snel uit te roepen: 'Nou ja, die jongen, dat meisje, voor mij is het gewoon een zoon/dochter.' Niet alleen riep ze dat, ze handelde er ook naar. Vandaar dat ik nu op weg ben naar R. die ik gemakshalve maar halfbroer noem - hij noemt mijn moeder ook 'ma', hij woonde bij mijn ouders voordat ik geadopteerd was, en ook na mijn komst bleef hij vaak bij ons logeren.
R.: acht jaar ouder dan ik, Indo, en nog steeds een mooie, bruine man. Er zijn talloze foto's waarop mijn ouders staan, tantes en ooms met R. in hun midden - de tijd dat ik er nog niet was, de tijd dat R. de zoon was en mijn plaats innam. Later ging R. terug naar zijn biologische moeder in Brabant: daar kwamen wij in nieuwe familiesamenstelling dan ook weer thuis, en daar stond ik op het dressoir - althans ik in een fotolijstje. Ik vond het heel gewoon, toen, maar nu begint het me wel eens te duizelen.
Dit alles is lang geleden, R. heeft zelf kinderen, een vrouw, en die zie ik eigenlijk zelden, want de verbindingsofficier is weggevallen, de vrouw die wij alle twee onze moeder noemen. Ja, moeder was zo'n vrouw die gedeeld moest worden (het liefst door jongens en mannen).
Op weg naar R.'s huis valt me op wat heel rijdend Nederland weet, maar ik niet: dat niet alleen Almere een voortdurend herscheppingsproces is van wat niet was, maar dat het Nederlandse wegennet altijd, voortdurend op de schop ligt. Vanuit de trein zie je het niet, maar in de auto begrijp je pas: Almere is overal, de zandwoestijn wordt tot de orde geroepen.
Ik zie voor het eerst het zelfgebouwde huis van R., ik herken het antieke stoeltje van waaruit moeder telefoneerde (staat het hier?) en tussen neus en lippen door kom ik te weten dat R. elke verjaardag van moeder naar haar graf rijdt, helemaal in Oldenzaal.
'Elk jaar?'
'Ja, dat is zo een gewoonte geworden.'
Hij zegt het bijna verontschuldigend, ik roep natuurlijk meteen dat ik het geweldig vind, en dat roepen is ook om de peinzende stilte te overstemmen: is hij de betere zoon?
Even later hoor ik dat R. als twaalfjarige zelf besloot minder naar ons huis te komen 'omdat ma het zo druk kreeg met jou en je zusje'.
Wat een hartverscheurend verstandig kind moet R. zijn geweest.
We omhelzen elkaar nog eens, er is biologisch geen familielid dat we delen, al staan we op elkaars familieportretten.
En ineens snap ik mijn neiging Almere te verdedigen. Natuurlijk kan dat, hechting zonder historische of biologische wortels.
Ons leven is een campingleven, en wij weten niet beter.
