VN MediagidsHalf om half (slot)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

18.08.2007

Door Stephan Sanders

Sinds 1989, vanaf het begin van de Rush­die-affaire, heb ik me noodgedwongen verdiept in de islam, een koran aangeschaft in Nederlandse vertaling, andere teksten uitgeplozen, krantenstukken over de islam met een zucht van verplichting niet overgeslagen maar keurig gelezen – en dat alles voor iemand die niet gegrepen wordt door welk geloof dan ook.

Het laatste decennium zijn wij, seculieren, tegen wil en dank halve islamkenners geworden, niet omdat Allah ons riep, maar omdat de politieke situatie daarom vroeg. Het wordt door moslims weleens vergeten dat het geloof van ze, dat in mijn ogen een particuliere hobby is, door haar politieke doorwerking ook aan mij wordt opgedrongen. Ik geloof al niet in hobby’s en als het echt moet, kan ik leukere verzinnen.

Maar nu is de afstand dus helemaal opgeheven: bij mij is de islam inmiddels kind aan huis, per mails van halfzuster. Zij neemt afscheid met ‘Salaam’ en ik roep maar eens ‘Shalom’, om nog iets van een tegengeluid te laten horen. Ik kan het niet over mijn hart verkrijgen om te eindigen met: ‘met hartelijke, atheïstische groet’. Ik vind dat onbeleefd, terwijl het toch het exacte equivalent is van wat halfzuster doet. Ik denk altijd dat een afscheidsgroet de ander te stade moet komen, en niet bedoeld is om de eigen diepe geloofsovertuiging er nog eens in te wrijven. Maar dat soort overwegingen van etiquette worden steeds meer de alleenplicht van ongelovigen, terwijl de rest van de mensheid zegenend en schalmend de ronde doet.
Laatste zin van halfzusters: ’Ik schrijf je snel weer inshaAllah.’

Ik weet wel dat het een standaarduitdrukking is, een religieus cliché zogezegd, waarbij Allah’s almacht tussen neus en lippen door wordt onderstreept (Allah heeft wel veel complimentjes nodig). Maar een brief of mail knapt niet echt op van die stoplappen. En ik denk natuurlijk vooral: als jij, halfzuster, nu eens begon met schrijven, dan zit het met die wil van Allah vast wel snor.
Ik had meer dan een week niets van halfzuster gehoord, terwijl wij elkaar daarvoor toch om de dag wisten te vinden. Zij had me geschreven over de ‘moslim renaissance’ die kennelijk begin jaren tachtig over de aarde heeft gezwiept, en die haar zozeer had aangestoken dat ze de hoofddoek was gaan dragen, waarna ze haar geloof zo serieus nam als de meeste mensen de liefde. Zij klinkt licht ge-exalteerd zodra ze over haar geloof praat, een beetje verliefd, het bruidje van Mohammed. Maar intussen denk ik: renaissance? Heb ik iets gemist? Ik was geen kind meer, begin jaren tachtig, en herinner me toch vooral Khomeini’s machtsovername in Iran, de oorlog in Libanon, de religieuze roepmoord die Salman Rushdie over zich heen kreeg, en nog zo wat weinig verlichte zaken.

Dat schreef ik dus maar eens terug, en ook over het Rushdie Verdedigingscomité schreef ik, en over mijn bewondering voor Ayaan Hirsi Ali.

Daarna trad dus de stilte in, die mij geladen leek, en niet uitsluitend ingegeven door drukke bezigheden buitenshuis.

Sowieso is zo’n beginnend contact broos, zeker wanneer je biologisch zo verwant bent, en tegelijkertijd mijlenver van elkaar staat. Je wilt niet provoceren maar ook niet verhelen, want als zo’n Nederlandse jongen als Ehsan Jami het aandurft een ex-moslimcomité op te richten, wil ik niet degene zijn die met mijn hoofd in de familiaire wolken verkeert.

Had ik halfzuster geschokt, beledigd? En zou nu de radiostilte aanhouden, als zwijgend protest?
Ik kan niet tegen zwijgen, als kind vond ik de zwijgstraf al de ergste, mijn zusje deelde die soms uit en was er redelijk bedreven in, ook al omdat praten bij haar geen prioriteit had. Moeder deed pogingen, hield het anderhalve minuut vol, en braakte dan alsnog haar ingeslikte zinnen er in één keer uit, als een op hol geslagen jukebox.

Wie mij verzwijgt, drukt op al mijn neurose­knoppen – en dat zijn er vele.

Goed, onder druk antwoordt halfzuster, en dat doet ze mooi. ‘Er heeft al te lang stilte tussen ons geheerst,’ zegt ze, en nee, she is not taking umbrage (zij neemt geen aanstoot) en deed ze dat wel, dan zou ze ‘geloof me’ een manier vinden om haar onvrede luid en duidelijk te uiten. ‘Daarin ben ik misschien wel te Nederlands.’

Dit programma bevalt me: er zal gesproken en geschreven worden, ook of juist over de twistpunten, die we bij iedere onverhoedse beweging aanraken en activeren.
Halfzuster en ik blijven in gesprek. Nu de rest nog.