VN MediagidsHalf om half (3)

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

11.08.2007

Door Stephan Sanders

Wij zijn getrouwd, het is dus correct en legaal om over ‘mijn man’ te spreken, maar ik doe het eigenlijk nooit, omdat het aanstellerig klinkt.

‘Mijn moeder’ of ‘mijn zus’, daar klinkt gelukkig niets politieks in door of, nog erger, emancipatoirs. Je hoeft iemand die het over ‘mijn moeder’ heeft niet meteen te verdenken van een al te grote getuigenisdrift.

Maar de laatste jaren ben ik dus aan het hannesen met categorieën die juist bedoeld waren om vanzelfsprekend te zijn. ‘Mijn moeder’ is natuurlijk de vrouw die mij getogen heeft, mijn zusje het meisje dat veel beter was in jongen-zijn dan ik (totdat ze kinderen kreeg, toen greep ik mijn kans en ging naar de sportschool). Maar vijftien jaar geleden verscheen, in wat je niet anders dan een cameo appearance kan noemen, bio-moeder op het toneel, en een paar weken geleden meldde zich dus mijn halfzuster. Sindsdien moet ik de gewoonste woorden ondertitelen.

Omdat de situatie toch al zo verwarrend is, hou ik dus maar even vast aan ‘mijn man’ – van hem ben ik nog het meest zeker.

Mijn man vroeg mij twee dingen: ‘Waarom blijf je halfzuster zo halsstarrig halfzuster noemen, waarom niet gewoon zus?’

En, twee: ‘Weet die zus eigenlijk wel dat jij schrijft over die correspondentie met haar?’
Eerste antwoord: de positie van zuster, en zeker die van zusje is al vergeven, die komt enkel en alleen toe aan E. Ik kan me herinneren dat E. – zelf ook geadopteerd, en maar liefst in het bezit van een hele biologische broer – die kerel op een gegeven moment ‘mijn broer’ ging noemen. Ik vond het erg flauw van mijzelf, ik moest daar alle begrip voor hebben, maar eigenlijk stak het me. Ik dacht: ik heb die geschiedenis met je gedeeld, en niet die man die, ik moet het toegeven, verdacht veel op je lijkt.

Nooit tegen haar gezegd, want ik moest en zou er ‘boven staan’, maar het moment dat zusje ineens zei: ‘jij bent natuurlijk toch mijn enige echte broer’ begon ik te stotteren. Minutenlang. Is me eerder noch later ooit overkomen.

Zusje is al meer dan tien jaar dood, ook mijn moeder is het niet langer gegeven zich waar dan ook over op te winden, maar het lijkt wel alsof hun niet-zijn me des te scherper aan ze verplicht. Soms denk ik: dat hele gezin, pappa, mamma, kind, hond, heb ik het niet gewoon gedroomd? Maar dan hoor ik de stem weer van mijn moeder, de onnavolgbare manier waarop ze mijn naam kon uitspreken, de liefde die ze erin wist te smokkelen, maar ook de scherpe mespunten schuldgevoel waarmee ze mij op meesterlijke wijze wist te bespelen.

Dat heeft dus allemaal echt bestaan, en wat je wel eens van mannen hoort, of althans wat venijnige vrouwen zeggen over bepaalde mannen, dat ze aan hun ‘tweede leg’ beginnen – dat was ik niet van plan met moeder en met zusje.

Halfzuster in Nieuw Zeeland moet hetzelfde ervaren. Alsof we, door ineens nieuwe personages toe te voegen aan het verhaal, bezig zijn verraad te plegen aan onze jeugd, aan onze herinneringen.
Zij schrijft, voor haar doen opvallend clichématig, over de ‘warm and loving family’ waarin ze opgroeide. Specifieker wordt ze niet. Ik op mijn beurt had haar eenzelfde soort platitude in de maag gesplitst over mijn familie, en ik meende de zucht van opluchting te horen, interlokaal, dat die nieuwe halfbroer zich niet meldde om alsnog zijn portie versmade gezinsliefde op te eisen.

Toen ik haar vertelde dat de band met mijn vader minder sterk was dan met moeder, ging zij daar heel luidruchtig niet op in. Dit is gevaarlijk terrein, besefte zij, besef ik ook, hier begint het gebied van de clantrouw. De vuile was, niet spugen in de bron, alle families, waar dan ook ter wereld, zijn door dezelfde verboden geobsedeerd.

Toch plegen wij al verraad: zij door mij zo uitgebreid te schrijven, en haar moeder daar nauwelijks over te vertellen. Ik door haar te schrijven en ook nog eens over haar, in de krant. Het was wel zo netjes geweest als ik haar dat meteen had gezegd, en ik heb dat nu, in tweede instantie, gedaan.
Ik heb uitgelegd dat schrijven voor mij altijd publiek schrijven is – gewoon, vanwege mijn werk en ook wel omdat zulk openbaar schrijven mijn wapen is tegen haar moeder die mij en mijn leven juist wil verzwijgen.

Ik wacht op halfzusters antwoord.