VN MediagidsGrondrechtbonbons
08.03.2008
Je zou willen dat ze zo nu en dan gedwongen werden om van plaats te wisselen, de rebel en de bestuurder. Dat gebeurt ook wel, in de loop van vele jaren, als de ene generatie plaatsmaakt voor de andere en de actievoerders van vroeger het ineens voor het zeggen krijgen.
Joschka Fischer is waarschijnlijk het meest uitgesproken voorbeeld. Deze studentenleider die het geweld niet schuwde, zou uiteindelijk de Duitse minister van Buitenlandse Zaken worden, en vice-premier. Meer established kan je niet raken, politiek gesproken. En wanneer Fischer zijn carrière overdenkt, zal hij tot de slotsom moeten komen dat zijn leven beheerst werd door twee elkaar tegenstrevende tendensen.
Het probleem van de rebel komt er in het kort op neer: hoe aandacht te krijgen, hoe genoeg reuring op te wekken, zodat je als politieke buitenstaander wordt opgemerkt door de zittende macht en niet volkomen wordt genegeerd?
De bestuurder zit met het tegenovergestelde probleem:
hij moet leiding geven en draagt verantwoordelijkheid, niet alleen voor zichzelf, maar voor allen die hij vertegenwoordigt, en het laatste wat hij kan gebruiken, is heibel. De heibel van de rebel is het beheersingsprobleem van de bestuurder. We hebben het hier niet over persoonsgebonden verschillen, maar heel in het algemeen over verschillen in functie.
Er bestaan bedachtzame actievoerders en heetgebakerde bestuurders (Sarkozy lijkt er zo eentje te zijn), maar qualitate qua zal de Franse president zich pragmatischer moeten opstellen dan de jonge leider van een trotskistisch vakbondje. De laatste heeft niets te verliezen dan zijn principes en zijn gelijk, en dat is lastig genoeg, maar daarbij staan geen mensenlevens op het spel. Tegelijkertijd zal de bestuurder te gemakkelijk in de verleiding komen om principiële zaken te verkleinen tot een praktisch probleem, want bestuurders moeten het hebben van werkzame meerderheden, en niet van scherpslijperijen. Je kan je moeilijk een burgemeester voorstellen die zegt: ‘Ik zie het als mijn taak de boel te laten ploffen.’ Ik zou daar in ieder geval niet erg van gecharmeerd zijn.
De rebel versus de bestuurder: zie daar in het kort het politieke schijngevecht zoals zich dat nu al weken afspeelt tussen het kabinet-Balkenende en Geert Wilders. Het is een doorzichtige choreografie, iedereen kan de passen en pasjes van de verschillende partijen uittekenen, op a. volgt b. en dan weer c. Hier botsen niet eens zozeer twee meningen, hier botsen twee voorgeschreven rollen.
Wilders is hier trouwens in het voordeel: hij mag uitdagen en sarren, de tegenpartij moet wel reageren, en hoe nadrukkelijker dat gebeurt, des te meer aandacht hij krijgt. Maak Wilders morgen premier van Nederland, en zijn film zal in een la verdwijnen en alleen te zien zijn in een obscuur filmhuis voor genodigden.
Maar Wilders is geen premier; hij profiteert maximaal van de stennis die is ontstaan, en zegt zich niet verantwoordelijk te voelen voor de gevolgen. Als er wat gebeurt, is zijn redenatie, is dat uitsluitend het gevolg van de islamisten.
Ik geloof inderdaad dat elke gewelddadige reactie op een film misdadig is, maar helaas denken ze daar in Afghanisten en Pakistan anders over.
Voor het eerst had ik te doen met Balkenende, die iets officieels moest verklaren over een film die er officieel niet was. Toch: op zo’n moment kan je als premier en politiek verantwoordelijke niet niets zeggen, en in zijn korte betoog vatte de premier het dilemma ietwat zalvend maar wel zuiver samen. Nee, geen oproep aan Wilders om af te zien van zijn film, maar wel een oproep aan hem om ‘alle aspecten in zijn beoordeling te betrekken’.
Leuker werd het niet, en kon het ook niet worden.
Wel wordt duidelijk dat Wilders heel selectief gebruik maakt van onze grondrechten: in die zin lijkt hij ongewild op de moslimfundamentalisten die hij zegt te bestrijden.
Wilders pikt een vrijheid uit het geheel, de algemene vrijheid van meningsuiting, en verabsoluteert die. Dat er ook een vrijheid van godsdienst bestaat, is hem even helemaal ontschoten. Islamisten op hun beurt zijn weer dol op die godsdienstvrijheid, maar vergeten daarna acuut dat er nog een aantal grondrechten zijn, die er direct mee samenhangen (het verbod op discriminatie, ik noem eens wat). Premier Erdogan van Turkije, nog zo’n voorbeeld, die een graai nam uit de mensenrechtendoos, en het bestond om assimilatie van Turken in den vreemde ‘een misdaad tegen de menselijkheid’ te noemen. Schaamteloos knip- en plakwerk.
Alledrie de partijen pakken dus dat ene chocolaatje dat hun het lekkerst lijkt, en de rest van de bonbons, daar zien ze vanaf. Maar mijn moeder zei vroeger al: ‘Eerst het hele bord leeg. En anders ook niets toe.’
