VN MediagidsGeen multiculturele idylle

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

08.01.2010

Door Stephan Sanders

Nee, Suriname is niet de multiculturele idylle die propagandisten ervan willen maken

Eens in de zoveel tijd reis ik naar Suriname om mijn schoonfamilie te omhelzen en vast te stellen dat het weer een stuk beter gaat met het land. Dat laatste doe ik zo voorzichtig mogelijk, want als Nederlander klink je al snel patroniserend. De tante die haar hand voor de mond slaat en met gespeelde verbazing roept: 'Wat is die jongen groot geworden.'

De eerste keer dat ik hier kwam, eind jaren tachtig, waarde de geest van Bouterse nog overal rond. Op het vliegveld stonden jongens van zestien, zeventien met mitrailleurs in hun handen en een overspannen blik in hun ogen. Ik was een vreemde in het land, de schoonfamilie was nog niet de mijne, maar de meeste Surinamers dachten dat ik gewoon een van hen was.

Zeker te verwaand om Sranan te spreken. Ik toog naar de plaatselijke boekhandel en vroeg om een plattegrond, zodat ik mij enigszins in de stad zou kunnen oriënteren. Die was niet in voorraad. Daar vroeg nooit iemand naar. Ik realiseerde me dat Suriname een land was voor bewoners en ex-bewoners, die hun weg blindelings konden vinden. Nieuwkomers - daar waren ze simpelweg niet op ingesteld. Aanwijzingen verliepen altijd als volgt: 'Dan ga je recht door, en als je dan bij Poelepantje komt, ga je naar rechts.' Poelepantje. Ik durfde niet te vragen wie of wat dat nu weer was, en dobberde gedurig in het hotelzwembad.

In dertig jaar tijd is dit land veel meer een 'open samenleving' geworden, toeristen trekken enthousiast het binnenland in, terwijl datzelfde binnenland vroeger door de meeste stadsbewoners gemeden werd als de pest. Want daar was de jungle, het donkere gat - het uitgestrekte, niet te vertrouwen 'onderbewuste' van een heel land, dat je maar beter ongemoeid kon laten. In werkelijkheid woonden daar de 'inheemsen', zoals de Indianen nu heetten en de marrons, de slaven die het verdomden op de plantages te werken en de benen hadden genomen.

De verhouding tussen de creolen in de stad en de marrons is altijd dubbelzinnig geweest. Natuurlijk was er de trots op de Afrikaanse broeders die het slavenregime getrotseerd hadden, maar ook was er de angst voor de on-beschaving die deze marrons zou aankleven. Daar komt nog bij, dat zwarte slavensoldaten in de achttiende eeuw actief jacht maakten op hun weggelopen broeders om ze weer keurig bij de slavenmeesters af te leveren. 'Redie moesoes' werden ze genoemd, zwarte mannen met de rode mutsen. In werkelijkheid speelt dit verraad van zwart versus zwart meer dan 250 jaar geleden, maar voor de marrons lijkt het de dag van gisteren.

Wat ook niet helpt: dat veel stadsbewoners het nog steeds over 'djuka's' hebben als ze de marrons bedoelen, op de weinig beminnelijke manier waarop bij ons de k-Marokkanen worden aangeduid.

Nee, Suriname is niet de multiculturele idylle die propagandisten er van willen maken. Er is een zeker routineus, bijna laconiek wantrouwen tussen de verschillende bevolkingsgroepen. Maar in vergelijking met Zuid-Afrika, bijvoorbeeld, is dit land een oase van etnische gematigdheid.

Goed, en toen braken er onlusten uit in Albina, waar marrons de jacht openden op Brazilianen en Chinezen.

Twee dagen later kreeg ik een ontstelde Surinaamse vriend aan de lijn, die normaal op Curaçao woont, maar Oud en Nieuw wilde doorbrengen in zijn geboorteland. Hij was 's avonds op bezoek bij vrienden, de schemering viel, de wind waaide verkoelend over de veranda, wat kon het leven toch simpel en eenvoudig zijn.

Ineens: drie mannen met bivakmutsen die het huis binnendrongen, iedereen plat op de grond, revolvers tegen de slapen, alles van waarde werd weggegrist en de belofte van een executie bleef minstens een kwartier in de kamer hangen. Uiteindelijk bleef het bij materiële schade, en de shock natuurlijk, die lekker lang doorzeurt.

Vriend P. had het niet over marrons toen hij de overvallers beschreef, hij. spuugde 'djuka's' uit zijn mond, en de felheid waarmee hij dat deed was omgekeerd evenredig aan de machteloosheid die hij moet hebben ervaren.

Twee voorbeelden, in het groot en in het klein, van een bevolkingsgroep die lang is achtergesteld, en waarvan nu een aantal heethoofden meent dat onrecht in één klap te kunnen herstellen. Dat is springstof in Suriname, etnisch laboratorium bij uitstek. President Venetiaan nam zijn toevlucht tot de langste Nederlandse zin ooit uitgesproken: 'Elke Surinamer en elkeen die met ons in ons land wenst te leven, dient ervan doordrongen te zijn, dat onze enige kans daarin ligt, dat wij bereid en in staat zijn bruggen te slaan over al die ravijnen, al die diepe dalen die door onze geschiedenis of door ander menselijk drijven, ons dreigen te scheiden van elkaar (....).' Dit is nog maar de helft van die zin, maar u begrijpt, zodra u hoort over 'ravijnen en dalen': paniek in de tent.

Er wordt nu gedempt met breedsprakigheid - daar zijn Surinaamse politici verrassend goed in. Maar één geweerschot - en die brave woorden vliegen aan flarden.