VN MediagidsFundament
10.06.2006
Het is al een klein wonder als het in het dagelijkse leven gebeurt: je maakt kennis met iemand en een paar ontmoetingen later, na ‘hearsay’ van gemeenschappelijke kennissen aangevuld met wat persoonlijke observaties, is een geschiedenis bezig zich te ontwikkelen: de geschiedenis van een voor- of afkeur.
Het is weinig mensen gegeven lang neutraal te blijven, we zijn hongerig in onze oordelen, die ons houvast moeten bieden in het chaotische sociale verkeer, en kiezen het liefst voor duidelijke smaken: sympathie of antipathie.
Nog vreemder is dat we ook zo gretig oordelen over mensen die we niet persoonlijk hebben ontmoet en die we toch denken te kennen via de media. Zo’n geschiedenis van genegenheid of afkeer is per definitie merkwaardig, omdat er een partij is die niets anders doet dan keuren en kiezen, en een andere die probeert in de smaak te vallen bij een publiek dat zij maar zeer ten dele kent. Politici zijn mensen die opereren vanachter zo’n oneway screen: ze staan voor iedereen te kijk, terwijl ze zelf maar een klein deel van hun kiezers zien. Gelukkig zijn er nog de partijstandpunten die zij kunnen uitdragen, maar verder moeten ze het hebben van uitstraling, indruk en présence – lekker ongrijpbare kwaliteiten, waarbij het ineens hard kan vriezen en dooien.
Ik voel de behoefte om de geschiedenis na te gaan die ik in de loop van een paar jaar heb opgebouwd met Rita Verdonk – zij niet met mij, want zij heeft me nooit de hand geschud, niet eens geweigerd. Ik was in mijn omgeving een van de weinigen die geen hekel aan haar had: hoe ze het voor elkaar kreeg weet ik niet, maar wat slaagt die vrouw erin op sommige mensen meteen een vernietigende indruk te maken. Niet op mij, want ik verdedigde haar, ik vond haar Ien Dales-achtig kloek, met van die geremde gemoedspatronen, die ik bij vrouwen nogal ontroerend vind. Ik herinner me dat ze bij het slavernijmonument wilde spreken en dat haar dat onmogelijk werd gemaakt. Vond ik een naar meute-achtig sfeertje, gericht tegen een vrouw die daar een serieus zegje kwam doen. Dan was er natuurlijk nog de imam, die haar de hand weigerde en die zij schooljufachtig de les las. Ook daarin lukte het me niet het briljante anti-islamcomplot te zien waar haar tegenstanders haar van beschuldigden. Beetje snel in haar wiek geschoten, dat zag ik wel, en voor het eerst begon ik ook te twijfelen aan haar gevoel voor proporties en haar inschattingsvermogen. Ik bedoel daarmee, dat ze deze man terechtwees alsof zij met een volstrekt gelijkwaardige partner te maken had, terwijl ze toch de minister was en hij een onbekende imam. Die disproportionele reactie zou later bij Taïda Pasic nog veel sterker op de voorgrond treden; de minister speelde in die zaak de underdog en dat was niet alleen ongeloofwaardig, maar ook onwaardig. Maar nu loop ik vooruit op mijn kantelend oordeel. Tot nog toe heb ik vooral media-incidenten behandeld, en dat strekt mij noch de media tot eer, want als ons oordeel daar alleen op gebaseerd is, wordt het letterlijk een kwestie van vriendjespolitiek.
Dan zijn er serieuze zaken: de brand op Schiphol die volgens Verdonk ‘adequaat’ is afgehandeld, de minister die niet van liegen houdt, maar kennelijk wel van het onjuist informeren van de Kamer (Congo, Syrië) en dan ligt daar zo’n bananenschil, die niet eens zo belangrijk is, maar die mijn mening op zijn kop zet. In een vlaag van Hollandsheid roept de minister haar landgenoten op Nederlands met elkaar te spreken, in tram, trein, en op straat. Dit vind ik een krankzinnig en vooral ook onliberaal standpunt, omdat liberalen zouden moeten weten waar het privéleven begint en de overheidsbemoeienis ophoudt. Nee, krabbelt de minister terug, het wordt geen wet, hooguit een gedragsregel; handhaven kan je het niet, eigenlijk zijn het dus praatjes voor de vaak. Voor wat voor vaak, wil ik nu weten. Voor de houd-Nederland-Hollands-vaak? Voor de ‘blanke talen’-vaak? Dit sentiment bevalt me helemaal niet, foute boel, lichte voorkeur slaat om in afkeur. En toen moest de kwestie-Ayaan dus nog beginnen.
Zo onlogisch en arbitrair steekt zo’n oordeel dus in elkaar. Ik zou er geen huis op bouwen, laat staan een Tweede Kamer.
