Vrij Nederland Fatsoensdiscussie

Fatsoensdiscussie

De fatsoensdiscussie is een opmaat voor wetgeving, en niet het hypocriete tegendeel daarvan.

Door Stephan Sanders

De fatsoensdiscussie is een opmaat voor wetgeving, en niet het hypocriete tegendeel daarvan.

Door Stephan Sanders

Eerst las ik deze week een essay waarin stelling X werd aangehangen; ik was het met die opvatting niet eens en dacht: daar moest ik maar eens over schrijven. Twee dagen later kreeg ik een ander artikel onder ogen, waar precies het tegendeel van stelling X werd verkondigd. Met dat tweede artikel was ik het zo mogelijk nog meer oneens. Even voelde ik me een querulant, eeuwige ruziezoeker, het is niet goed of het deugt niet, maar mijn Eigenwijzer Ik overwon ruimschoots die twijfel. Het is ook niet goed.

De vorige week schreef de dichter en polemist (zo noemt-ie zichzelf) Ilja Leonard Pfeijffer een essay in dit blad, die begon met de leuk-baldadige zin: ‘Hoed u voor eenieder die het woord fatsoen in de mond neemt.’ Nou, dat is nog eens binnenkomen. Met de deur in huis, met de vuist op tafel. De teneur van het stuk: Nederland is een rechtsstaat, de beide parlementen vormen de wetgevende macht, en alles wat niet in die wetten is gevat, is in principe toegestaan. Mensen die schermen met zoiets schimmigs als ‘fatsoen’ proberen hun particuliere opvattingen tot wet te verheffen, zonder dat ze zich op enige legitimatie kunnen beroepen. Ik citeer: ‘Fatsoen is een conservatieve notie. Wie een beroep doet op fatsoen, doet dat nooit als oproep om alles nu eindelijk eens helemaal anders te gaan doen.’

Fatsoen als ‘conservatieve notie’, daar zal je het hebben, daarmee is fatsoen uiteraard afdoende gediskwalificeerd. Quod non. Pfeijffer lijdt hier aan de progressieve waan dat ‘alles dat nu eens helemaal anders’ gaat worden, automatisch beter is dan dat wat hetzelfde blijft. In de politieke werkelijkheid zijn er nauwelijks of geen bewijzen voor dit revolutionaire optimisme. Integendeel, het regent van de tegenvoorbeelden, waarin de route wordt bewandeld van de regen in de tropische orkaan.

Pfeijffer denkt ook dat vooral het individu onder die fatsoensnorm te lijden heeft. Hij schrijft: ‘Ik las laatst in de krant dat jongeren in Bagdad worden mishandeld of zelfs gestenigd omdat ze zich te modern kleden.’ Bedoeld wordt kennelijk dat er niets in de Iraakse wetten staat over moderne kledij. Het moet dus wel fatsoensrakkerij zijn die mensen ertoe aanzet die moderne types te mishandelen. Ik weet het niet honderd procent zeker, maar waag het erop dat ook in Irak er wetten bestaan tegen molest, steniging en doodslag. Er doet zich dus zoiets voor als een ‘fatsoenlijke wet’ – en dat is geen tegenspraak in zichzelf, zoals Pfeijffer meent te denken.

Erger is dat Pfeijffer kennelijk geen idee heeft hoe wetten tot stand komen.

Neem het voorbeeld van de slavernij, of liever gezegd de afschaffing daarvan, in Nederland in 1863. In 1840 was het een kwestie van ‘fatsoen’ om wel of geen slaven te nemen, en die wel of niet menswaardig te behandelen. D’r stond niets over in de wet, dus al die abolitionisten die ageerden, waren door Pfeijffer weggezet als gevaarlijke fatsoensrakkers. Dat komt doordat de dichter/polemist niet begrijpt dat de discussie over wat fatsoenlijk is en wat niet het hart vormt van de publieke discussie die uiteindelijk kan uitmonden in een wet, zoals in 1863 dan ook (rijkelijk laat) gebeurde. De fatsoensdiscussie is een opmaat voor wetgeving, en niet het hypocriete tegendeel daarvan. (Zie abortus, dierenwelzijn, antidiscriminatiewetgeving et cetera.)

Een ander standpunt is geen bewijs van normloosheid

En net toen ik me ontzettend burgerlijk en fatsoenlijk begon te voelen las ik een artikel van Ramsey Nasr in NRC Handelsblad – alweer een dichter. Nasr vindt juist dat Nederland een ‘natie zonder normen’ is geworden. Bewijsstuk één: Nederlands buitenlandse politiek strekt tot groot voordeel van Israël. Wat je er ook van vindt, normloos is dit in geen geval te noemen. Het is duidelijk niet Nasrs norm. Zo vindt de dichter ook dat ontwikkelingshulp koste wat kost verstrekt moet worden, wat ook de effecten mogen zijn. Dat is zijn mening, maar een ander standpunt is inderdaad een ander standpunt, en geen bewijs van normloosheid. Hier speelt de oude gedachte op, dat elk standpunt waarin men zich niet kan vinden wel normloos moet zijn. De tegenstander is geen tegenstander, maar moreel slecht.

Het is een beetje een Chinese redenering – een land trouwens, dat lekker normvast is, vraag het de dissidenten maar. ‘Geef ons om te beginnen een premier,’ slaakt Nasr zijn laatste zucht. Ik zou willen aanvullen: een democratisch gekozen premier. Die hebben we, Mark Rutte. Het blijkt nu dat Nasr die Rutte geen goede premier vindt, want zo iemand moet ‘ons het gevoel’ geven dat er ‘normen en waarden zijn die boven onze persoonlijke vrijheid uitstijgen’.

Maar premiers hoeven helemaal geen gevoelens te geven, ze moeten een regering leiden. Je kan het met die koers eens zijn of niet. Dat is een persoonlijke vrijheid – en die hoef je in een land als Nederland gelukkig niet ‘te overstijgen’.

03-04-2012