VN MediagidsEpateren

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving 29.11.2011

Door Stephan Sanders

De shock was als typisch links gebrandmerkt, alsof rechts niet in staat zou zijn dezelfde trucs te leren

Afbeelding bij Epateren

Wanneer loonde het de moeite te epateren?
Toen de meeste mensen nog wisten wat epateren betekende, en er ook nog voldoende burgermannen rondliepen die zich gewillig lieten overdonderen.

Épater les bourgeois. Dat was veertig jaar geleden nog een flinke, artistiekerige taak, die je bij voorkeur bij de VPRO uitvoerde. Die burgerman moest geschoffeerd, omdat… nou ja, hij hopeloos gevangen zat in vaste structuren. Het doel was niet duidelijk, hoefde dat ook niet te zijn, want van de schok zelf ging al een heilzame werking uit. Gek genoeg was het na de Tweede We­reld­oorlog, die je toch de grootste rechtse schok van de vorige eeuw kan noemen, een uitgemaakte zaak dat het choqueren en de hondse brutaliteit een zaak van links was. Maat­schap­pij­kritisch, dat was automatisch links, want de progressieven legden de belangen bloot die anders in verborgen rechtse handen bleven. ‘Het ontmaskeren, afkrabben, uitgraven van het bestaan’ zoals Mi­chel Fou­cault het in De moed tot waarheid noemt, waren de specialiteit van de avant-garde, die op de troepen vooruit liep.

Vorige week schreef ik over de bewondering die zowel Foucault als de Duitse denker Peter Sloterdijk koesteren voor de antieke beweging van het kynisme: filosofen die hun denken in de praktijk brachten, en het schandaal van een armzalig bestaan verkozen boven de waardering van de gevestigde orde.

Terzijde: zou de geschiedenis er niet anders uitzien als de Fransen wat meer buitenlandse talen zouden lezen? In 1984 houdt Foucault zijn kynisme/cynisme colleges, en in het jaar daarvoor is Sloterdijks tweedelige bundel Kritik der zyni­schen Vernunft verschenen. Fou­cault heeft van dat boek gehoord, maar klinkt behoorlijk panisch. ‘Het is een bij Suhr­kamp verschenen boek van iemand die Peter Sloterdijk heet (…) waar ik niets van weet. Men heeft mij, laten we zeggen uiteenlopende meningen over het belang van dat boek gegeven.’ Ge­brek aan talenkennis vormt hier een onoverbrugbare cultuurkloof. Het heeft ook decennia geduurd voordat de Fran­sen Hegel hadden vertaald, en toen ze die klus geklaard hadden, bestond er ineens een Duitse en een Fran­se Hegel. Die laatste was nog gewelddadiger. Maar nogmaals, dit terzijde.

In de avant-garde ziet Foucault de voortzetting van de oude, hondse filosofen, zoals Diogenes in de ton, want de cynicus, leert hij van de stoïcijnse filosoof Epictetus ‘wordt als verkenner vooruit gestuurd, voorbij het front van de mensheid. (…) Hij is de dolende mens, de mens die voor de mensheid uitdraaft. Hij zal terugkeren om de waarheid te verkondigen, de ware dingen te zeggen (…) zonder zich door vrees te laten verlammen.’

Van oorsprong duidt het begrip avant-garde op een militaire functie: de geoefende commando’s die het terrein verkennen. De communisten dankten hun heerschappijen aan hun hechte geloof in voorhoedes, die het revolutionaire vuur aanbliezen tot een bosbrand. Hier zie je de kynicus al in een cynicus veranderen. Maar in de latere, twintigste eeuw, wanneer het communistische experiment veel van zijn glans verloren heeft, wordt de vooruitziende verkenner gevonden in de kunsten: daar zien we de getormenteerde eenling, de frontsoldaat, die zijn tijd ver vooruit is, en die van gene zijde terugkeert om de naakte waarheid te vertellen en het experiment aan te gaan. De waarheid was een schandaal, en dat moest worden onthuld, met niet al te zachtzinnige middelen. En zo werd de shock, in de schaduw van de Tweede Wereld­oor­log, tot typisch links erfgoed gebrandmerkt, alsof rechts niet in staat zou zijn dezelfde trucs te leren.

Dat idee is de laatste tien jaar op z’n kop gezet. Met veel goede wil kan je de Oc­cu­py-beweging nog tot de hondsbrutalen rekenen, die in hun tentjes hun ascetisch protest aantekenen – al gebeurt dat volgens de VVD bij gratie van de uitkering die ze ontvangen. Maar de hondsbrutale toon is de toon van Pow­Ned geworden, van reaguurders, van de deaud-internetters, die niet geïnteresseerd zijn in de ‘naakte waarheid’ maar in de hoon en de beschimping. De blik is niet langer die van de ziener die vooruitkijkt, maar van de cynicus die terugblikt en ontdekt dat in de jaren vijftig alles beter was. De burgerman is zelf aan het epateren geslagen, en zijn doel is elke pretentie bij voorbaat de kop in te drukken en belachelijk te maken.

Weet u het nog: 17 april 2008, minister Vogelaar klapt dicht tegenover Rutger Castricum, die mensen daarna ineens een journalist gingen noemen. Ik had te doen met die vrouw, zij moest deaud! en de hondsbrutale bejegening moesten we zien als middel tot het goede doel, namelijk ministertje afbranden.

De ontreddering, de verbijstering van Vo­ge­laar, de linkse deftigheid die in het gedrang kwam, de ongeremde bloeddorst van de tegenpartij – het brandt nog op mijn netvlies.
Die scène behoort nu al tot de canon van de vaderlandse geschiedenis.