VN MediagidsElite & Massa
30.06.2009
Pierre Boulez is er geboren, in 1925, de Franse componist, dirigent, muziektheoreticus en wat niet meer. Het zou passend zijn om te zeggen dat ik daarom naar Montbrison afreisde, maar de werkelijke reden was veel banaler.
Vlak bij dit stadje in het zuidoosten van Frankrijk, dat gevangen ligt tussen Lyon, Clermond Ferrand en veel hopeloos bosrijke heuvels, huurt goede vriend P. sinds jaar en dag een boerderij: laat middeleeuws, met een court en ondoordringbare muren van zo’n zestig centimeter.
Hij zat daar te schrijven, ik ging er ook werken aan een nieuw boek, en zo konden we elkaar gezelschap houden, in het huis zonder radio of televisie, waar ook geen internetverbinding tot stand kan worden gebracht.
Iran? Praktisch niets van vernomen.
Ik vond het leuk hem af te bluffen, juist omdat-ie hier al zo vaak was geweest. ‘Wist je dat niet? Pierre Boulez is hier geboren, de grootste Franse componist van na de oorlog.’
P., ook niet van de straat, verblikte of verbloosde niet. Natuurlijk, Boulez, wat geestig, in Montbrison dus. In elk geval hadden we nu een plan om tussen het schrijven door het Pierre Boulez-centrum te bezoeken, een verantwoord uitstapje dat ons zou dwingen de prachtige maar ook enigszins autistisch gelegen heuveltop te verlaten.
Er was één probleem: twee volwassen mannen, wij, inmiddels is het woord middelbaar echt op ons van toepassing, maar beiden niet i.h.b. van rijbewijs. In die zin kun je ons echte intellectuelen noemen, maar dan wel van het onthande, vooroorlogse soort, dat het dagelijkse leven uitsluitend met zijden handschoenen weet aan te vatten.
Wij voelden ons daar eigenlijk knap lullig onder, en verzonnen toen de oplossing van de ‘sans permit’, het invalide autootje dat vijfenveertig kilometer per uur kan, en dat zonder rijbewijs bestuurd mag worden. Je kon het ding huren bij een grote supermarkt, maar alles ging daar zeer Frans, dat wil zeggen centralistisch en staatssocialistisch aan toe. We konden bijvoorbeeld niet zomaar een borg betalen, we moesten een cheque overhandigen van de lokale bank, alwaar P. gelukkig een rekening bezat. ‘Maar als we dat geld nu cash…’ probeerden we nog, maar de Franse dame liet ons het ‘reglement inzake verhuur sans permit’ zien, en daar stond het echt, van die cheque. ‘Desolé,’ en ze trok daar zo’n fijn, hypocriet Frans mondje bij.
Het duurde een halve dag maar toen hadden we alle bescheiden bij elkaar en haalden het autootje op. Even oefenen op het parkeerterrein. Twee maal wist ik een nietsvermoedende, winkelende moeder rakelings te passeren, en dat rakelings moet zo letterlijk mogelijk genomen worden.
Toen de vrouw voor de tweede keer die volwassen kerels op zich af zag komen in dat rare, kleine autootje, die haar omver wilden rijden, zocht zij dekking achter het bestuurdersportier, met grote, ongelovige ogen. Het was alsof de Eerste Wereldoorlog weer was uitgebroken, met loopgraven en al.
Ik heb die sans permit de berg op gekregen, door haarspeldbochten getrokken, toeterend voor elke bocht (‘waar zit de toeter?’) en ook P. heeft, achteruit parkerend, twee inwoners van Montbrison de dag van hun leven bezorgd.
‘Jezus,’ zeiden we tegen elkaar, ‘en dat autorijden, dat doen de meeste mensen dus elke dag.’
Op naar het Pierre Boulez-centrum, zonder geldig rijbewijs dus, maar met de verwachting iets meer te horen van Frankrijks grote muzikale zoon.
Het centrum droeg zijn naam, het was in 2000 geopend, de directeur vertelde dat er een muziekopleiding was gevestigd, maar dat Boulez zich hier nooit vertoonde, want die vond Montbrison ‘une ville de merde’ – wat wij toch vrij mogen vertalen met kutstadje.
Er was ook geen brochure over hem te krijgen. We hebben het nog op straat gevraagd: ‘Pierre Boulez?’ Maar de jongeren haalden hun schouders op en twee ouderen wisten dat hij hier geboren was en heel bekend was. Maar waarvan? Geen idee.
‘Dat is dus de situatie van de avant-garde,’ bedacht ik toch wel aangeslagen, ‘ze loopt zo ver voor de troepen uit, dat bijna niemand haar nog kan volgen.’
Behalve de Fourme de Montbrison, de blauwaderkaas met de roquefort-schimmel, heeft het stadje niets of niemand anders dan Pierre Boulez in de aanbieding. Maar geen slagersjongen in de buurt die ook maar het begin van Boulez’ composities kon fluiten.
Nu lukt dat ook niet, Boulez nafluiten, en ik betwijfel of dat wel zo’n gunstig teken is. Als de elite zich zo ver verwijdert van de gewone mensen, waarin ligt dan nog haar distinctie, haar voorbeeldfunctie? De elite is verhuisd naar een andere planeet, Boulez wist niet hoe snel hij Montbrison achter zich moest laten, en ondertussen maken de ‘gewone mensen’ er heus wat van, ook zonder die beroemde zoon in hun midden.
Ik durf bijna te wedden dat die Boulez ook geen rijbewijs heeft.
