VN MediagidsEen weekend minder ik
09.12.2006
Zo zit je midden in het verhaal, zo val je eruit.
Zo volg je het nieuws op de voet – naast het buitenlandse toch vooral het Nederlandse nieuws, dat ook wel steeds verandert, maar wel vaste presentatoren kent – zo zit je in de trein naar Parijs en blijft er niets van over.
Het laatste wat ik hoorde, was dat er een jongetje vermoord was op school; hij heette toen nog geen ‘kleine Jesse’, de vermoedelijke dader had geen leeftijd, en de krant had de chocoladeletters nog niet uit de kast gehaald. Maar je voelde aan alles dat dit het grote, Nederlandse weekendverhaal zou worden, je zag hoe de donderwolk zich vormde, en heel snel tot ontlading moest komen.
Maar dan stap je in de trein, rijdt voorbij Brussel, en ineens wordt jouw wereld gereduceerd tot plaatselijk nieuws, en blijken de Belgen en de Fransen zelf ook het een en ander in de aanbieding te hebben. Amerika kent tijdzones, maar Europa hanteert grenzen die veel onoverkomelijker zijn; ieder land heeft zo zijn eigen actualiteitenzones, die in opperste tevredenheid naast elkaar bestaan en niet of nauwelijks corresponderen. Aangekomen in Parijs was de kleine jongen zonder naam een jeugdboek dat niemand had gelezen.
En omdat ik twee dagen lang geen kranten zag, en de buitenwereld samenviel met wat ik zelf aan den lijve ervoer, merkte ik pas de volgende morgen de dramatische verandering die zich in alle stilte had voltrokken.
Ik was na een paar uur slaap veranderd in een monsterlijk log lichaam, dat maar moeizaam over straat bewoog. Ik was ook veel minder ik geworden, ik was een wij, ik liep steeds met iemand op, en als ik ergens koffie wilde drinken, moesten er zes stoelen gevonden worden, en vier espresso’s en twee lattes. Ik rekende niet snel even af, maar overlegde en grapte en maakte van elk vertrek een logistieke operatie die zelfs ervaren militairen voor een groot probleem zou stellen.
Ik was niet veranderd in een kever, zoals Gregor Samsa overkwam in Kafka’s ‘Die Verwandlung’, maar ik was een groepslid geworden, iemand die een weekendlang met vijf vrienden optrekt. ’s Ochtends zei ik dingen als ‘morgen’ en ‘goed geslapen?’ en daar kwam dan antwoord op. De gesprekken waren vaak plenair, met flessen wijn en een gegeneerde foie gras tussen ons in, en de onderwerpen moesten leuk zijn voor de hele tafel. Dus: anekdoten, waar in alle haast een stevige, algemene strekking aan moest worden vastgeknoopt. De gedaanteverwisseling werd het duidelijkst weerspiegeld in de ogen van obers en portiers: die zagen niet mij aankomen, maar een complete groep. Wij hoorden nog net de kleine verzuchting die aan hun lippen ontsnapte.
Natuurlijk was er het wc- en badprobleem, in het fijne maar bescheiden appartement dat wij twee dagen lang het onze mochten noemen. Men zit en baddert niet rustig met vijf wachtenden op rij. Dat wordt half werk, haastwerk, geen leuk tijdschriftje erbij, maar opschieten, doorgaan. Ineens wist ik weer waar Céline het over had, toen hij het opgejaagde bestaan beschreef waarin je niet eens even rustig op de wc kan zitten, of er wordt geklopt of gebonsd – in ieder geval een beroep op je gedaan. Want het groepsbestaan kent geen coulissen, behalve die ene sanitaire minuut, die ook echt op de gemeenschap veroverd moet worden. ‘Waar was je nou?’
Dit willen we dus in Nederland, meer collectief en samen, en niet meer die individualistische gekkigheid. Een land als een kampeerboerderij, waar je ’s ochtends de mensen langs ziet trekken, een schuldbewuste wc-rol in hun hand, op weg naar de gemeenschappelijke natte cel.
‘Morgen, goed geslapen?’ Leuk terugzwaaien met die slinger van papier, verplicht een min of meer scabreus grapje maken, en er alvast weer een verzinnen voor op de terugweg.
Waar is het liberalisme als je het nodig hebt, het liberale individualisme van D66, de VVD, GroenLinks of de PvdA voor mijn part? Deze collectieve droom, dat houden we een weekend vol, we kunnen nu wel net doen of we dat willen, maar hoe comfortabel is het om te wonen in een vakantiekiekje, niet voor kort, maar permanent, met altijd die aardige maar opdringerige groep om je heen, die letterlijk de oren van je hoofd praat, de hersenen uit je kop vreet, en je keelt met haar moordende gezelligheid.
Ik zit nu weer thuis, alleen aan mijn bureau, de kleine jongen heet dus Jesse Dingemans.
Ik oefen op mijn eigen naam, als een opdracht die ik moet vervullen.
