VN MediagidsEen cynisch succes
Samenleving 21.11.2011
De shock komt uit de rechtse hoek: schaamteloosheid die geen moed vergt, maar enkel een publiek
Van Connie Palmen heb ik dit weekend geleerd dat 'schaamteloosheid het kenmerk is van literatuur'. Het was natuurlijk nog filosofischer geweest als ze had gezegd: 'Schaamteloosheid is het kenmerk van ware literatuur,' want je moet je concurrenten op tijd uitschakelen en geen misverstand laten bestaan over de literaire kwaliteit van je werk - juist als daar zo veel vraagtekens bij te plaatsen zijn.
In datzelfde weekend hoorde ik Berlusconi afscheid nemen met de woorden dat zijn terugtreden 'een daad van edelmoedigheid' was geweest. Deze man gelooft dat 'edelmoedigheid' het kenmerk is van ware politiek, en die politiek is natuurlijk de zijne.
Als bezweringsformule lijken beide uitspraken veel op elkaar: iemand is schaamteloos en schrijft, iemand vindt zichzelf edelmoedig en bedrijft politiek. Komt dat even mooi uit: zij vallen samen met de zaak, de literatuur, de politiek, zij zijn dat toevallig zelf. Voor hetzelfde geld had Palmen kunnen beweren: 'piekharigheid is het kenmerk van literatuur'. En het is bepaald niet onvoorstelbaar dat Berlusconi binnenshuis verkondigt: 'Schaamteloosheid is het kenmerk van echte politiek.'
Nu leerde ik dit weekend nog meer. Ik kocht de bundel van Michel Foucault, met daarin de postuum gepubliceerde colleges die de Franse denker begin jaren tachtig gaf, tot aan zijn dood in '84. Foucault was mijn held toen ik twintig was, hij leerde me dat theoretische beschouwingen ook elegant konden worden geschreven en dat er buiten het toen verplichte neomarxisme een grasveld te vergeven was. En zoals dat gaat bij jeugdliefdes - je blijft een zwak voor ze houden. Ik heb eerder de politieke naïviteit van Foucault genoemd, en zijn doordenderend linksisme, waardoor het leek of de Franse Republiek waarin hij leefde tot de meest misdadige regimes ter wereld hoorde. Maar de 'late' Foucault - hoe vaak heb ik het niet over de 'late' Marx moeten hebben -, de late Foucault maakte een koerswijziging door. Zijn vroege werk bouwde voort op Nietzsche en het idee dat de waarheid niets anders was dan 'de wil tot macht'. 'De wil tot weten' noemde Foucault dat, en daarmee werd het waarheidspreken gereduceerd tot de geslaagde of minder geslaagde manifestatie van machtsuitoefening. Het was de tijd dat wij jonge studenten blij met elkaar smoesden:
'Heb je het al gehoord?'
'Nee, wat dan?'
'Nou, dat van de waarheid - die bestaat niet meer.'
Daarna dus de volle uitbraak van het postmodernisme, en het 'anything goes'-principe. Maar Foucaults laatste boek heet heel ouderwets De moed tot waarheid en daarin klinkt geen ironische distantie door. Het waarheidspreken dat Foucault hier onderzoekt, stamt uit de oudheid en heet 'parrhêshia': het is het vrijmoedig spreken over zichzelf, zonder inhibities en retorische trucs, een spreken dat moed kost omdat daardoor ook het eigen leven in het geding kan komen (zie Socrates). Dat vrijmoedig spreken is denk ik het tegendeel van het schaamteloze spreken. Het eerste vergt de ontwikkeling van een kwaliteit (moed), het laatste alleen de afbraak van een karaktertrek die bij de meeste narcistische mensen toch al minimaal aanwezig is (schaamte).
Uiteindelijk maakt Foucault, net zoals Peter Sloterdijk, dit onderscheid: het vrijmoedig, persoonlijke spreken, op het hondsbrutale af, staat in de traditie van het kynisme (kynos: hond). We denken aan de laconieke Diogenes in de ton. En de vorm die tot op heden onze politiek, literatuur en media bepaalt, is die van het cynisme: de vrijmoedigheid is afgeslepen tot schaamteloosheid, en het hondsbrutale is veranderd in koele berekening.
De 'hondse' traditie die Foucault bewondert, ziet hij nog terug bij de negentiende-eeuwse revolutionaire bewegingen, de anarchisten, de terroristen en bij linkse radicalen uit de vorige eeuw. Extreem-links lijkt bij hem het patent op de ware vrijmoedigheid te hebben. Voor Foucault was 'links' per definitie waarachtiger dan rechts. Dat was zijn blinde vlek.
Maar wij hebben meer dan vijfentwintig jaar later ontdekt dat het hondsbrutale en het stijlloze (GeenStijl) aan een nieuwe opmars zijn begonnen: de hond woont niet meer in een ton, maar huist in de studio, zie PowNed, en wordt betaald uit publieke gelden. De premier die alle schaamte voorbij is, resideert in villa's en paleizen, en heeft de vorm van het kynisme gekozen om zijn cynisme te verbergen - dat laatste staat voor het eigenbelang, en de koele berekening. De shock van de laatste twee decennia kwam uit de rechtse, cynische hoek: de honende toon, de schaamteloosheid om de schaamteloosheid, die geen moed vergt, maar enkel een publiek; preciezer nog, een publiek dat zich onvoldoende weet te weren tegen de sensatie van het voyeurisme. Het is moeilijk om een ongeluk ongezien te laten, zelfs als je er niet per se naar snakt om te kijken.
Het succes van Berlusconi, van Connie Palmen is daarmee een cynisch succes - veel rumoer, maar geen hond die aanslaat.
