Vrij Nederland De voorkomende gastheer

Bert Nienhuis Bert Nienhuis

De voorkomende gastheer

Komrij bood je een alternatief voor het zelfmedelijden, dat toen nog collectief werd beleden

Door Stephan Sanders

Komrij bood je een alternatief voor het zelfmedelijden, dat toen nog collectief werd beleden

Door Stephan Sanders

Hij kon maar heel moeilijk met, wat ze noemden, de werkelijkheid overweg. Zijn herinneringen bestonden voor een deel wel uit werkelijkheid, maar voor een veel groter deel uit herinneringen van anderen. Die had hij gewoon gestolen, en bij de zijne gestopt. (Gerrit Komrij, 'Verwoest Arcadië')

Voordat ik Gerrit Komrij persoonlijk leerde kennen, had ik al iets van hem opgestoken: er bestond een algemene waarheid, one size fits all, en die was best bruikbaar voor doordeweekse dagen. Maar daarnaast ging het erom een persoonlijke waarheid te ontwikkelen, of beter gezegd een persoonlijke esthetiek, op maat gemaakt, perfect toegesneden op het eigen lichaam. Dat kleine kunstwerkje, dat je in de loop der jaren eigenhandig in elkaar moest knutselen - dat was je zelf. Voorlopig.

Ik haalde die wijsheid uit zijn boeken. Het was in de tijd dat de homobeweging nog echt een beweging was, want er viel het een en ander te bevechten. Gelijke rechten. Legale verbintenissen. De gezamenlijke hypotheek. Komrij zal de strijders met een welwillend oog hebben gadegeslagen, maar zijn hartstocht kon hij er niet in kwijt. Nog weer later, toen de rechtvaardigheid werd ingeruild voor boa's, bier, polonaise en onberispelijke lichamen, kreeg Komrij daar zelfs een afkeer van. Die algemeen aanvaarde en vooral openbare gezelligheid waartoe de blije homoseksueel zich verplichtte, die kon hem gestolen worden. Hij geloofde ten diepste in de homo-paria, de man of vrouw die voor even wordt geaccepteerd, in bepaalde beroepen, op de meer frivole zenders, maar die uiteindelijk altijd alleen komt te staan. De laatste strijder in de jungle van Noord-Korea. Maar precies die eenzaamheid maakte dat de homo zijn uitzonderlijkheid kon ontwikkelen: zijn pariastatus was tegelijkertijd de voorbode van zijn uitverkiezing. Het was een vileine, en ook hoogst romantische visie, die mij als jongeman enorm bekoorde, want wie wil er nu normaal zijn, als je ook uniek en volkomen anders kan wezen.

Het zorgde er in elk geval voor dat ik kon ontsnappen aan de zieligheidsstatus die zoveel homoseksuelen meenden te moeten uitspelen. Kom­rij deed daar niet aan mee, hij bood je een alternatief voor het zelfmedelijden, dat in die kringen toen nog collectief werd beleden. Daar­voor was Gerrit te trots en ook te zeer overtuigd van zijn eigen kwaliteiten. Waarom knielen voor het gemiddelde, als je ook het sublieme kon bereiken? U merkt, het ging allang niet meer over seksualiteit, het ging om de levensinstelling van de eenling, die zich nooit volledig zou confirmeren, al werden de mores steeds verlichter en riep het publiek om het hardst dat ze niets liever zag dan een rijtje gillende homo's op rij.

Een voorkomende gastheer. Hij schrok als hij iemand had gekwetst

Toen ik Komrij in levenden lijve trof, viel me meteen op hoe kwetsbaar en verlegen de man van de geharnaste standpunten was. Een voorkomender gastheer is zelden gezien. Hij schrok als hij iets of iemand had gekwetst. Een gevoelige man, van een Martin van Ame­ron­gen-gevoeligheid, die pas bij het schrijven zijn fluwelen handschoenen uittrok.

Ik woonde bij Peter Schat in die tijd, hij werkte met Komrij aan de opera Symposion - Peter de muziek, Gerrit het libretto - en wij vertrokken naar het hoge noorden van Portugal, naar het bisschoppelijke paleis dat Gerrit en levensgezel Charles betrokken hadden. Het werden weken waarin nauwelijks kon worden gewerkt, zoveel tijd eiste de gastvrijheid. Met ijzeren regelmaat, bijgestaan of bijna gedwongen door de bedienden, moest er ontbeten, geluncht, gedineerd en geborreld worden. De rolverdeling was als volgt: Peter en Gerrit waren de Mannen, die iets groots moesten verrichten, en van de weeromstuit werden Charles en ik de kwajongens, die dronken op weg gingen met een oude Amerikaanse slee, die onderweg inruilden voor de motor van een toevallig passerende jongen uit het dorp (krijg je vanavond terug) om uiteindelijk behoorlijk lam te eindigen in een drooggevallen sloot, waar we besloten maar even uit te rusten.

Rond middernacht trok een ploeg van boeren met fakkels langs, met Gerrit en Peter aan het hoofd. De motorjongen had alarm geslagen in het paleis, er was een reddingsactie uitgezet. Het zag er middeleeuws uit: de pachters, de fakkels, de oude man te paard met cape: wij kregen straf, Charles en ik, en dat betekende dat Gerrit en Peter de boze Vaders moesten spelen. Dat ging ze niet gemakkelijk af, omdat ze allebei eeuwige Jongens waren gebleven. Maar ze wilden zich niet laten kennen. Ik durf nu te zeggen: tot de dood erop volgt.

Eerlijk moest je zijn. Het was noodzakelijk dat hij met zijn billen bloot ging. Als hij er maar steeds voor zorgde een paar onechte billen op zak te hebben. Die moest hij de mensen zo oprecht mogelijk toesteken. (Gerrit Komrij, 'Verwoest Arcadië')

stephan.sanders@vn.nl

17-07-2012