VN MediagidsDe culturele klassenstrijd gaat om de communicatiemiddelen
25.10.2010
In de tijd dat het van me verwacht werd, wist ik eigenlijk nooit wat mensen bedoelden wanneer ze het hadden over 'klassenstrijd'. De tijd dat het verwacht werd: begin jaren tachtig, de Universiteit van Amsterdam, de politicologische opleiding, die doordrenkt was van het marxistische gedachtegoed. (De jongen die later de ideoloog werd van de PVV, Martin Bosma, moet er in die tijd ook rondgelopen hebben - die heeft er op geheel eigen wijze lering uit getrokken.) Niets leek me abstracter en minder aanwijsbaar dan 'de strijd om de productiemiddelen', terwijl de punk hoogtij vierde en het ene na het andere grachtenpand werd gekraakt door kinderen van hoogleraren die er een ambivalente verhouding met hun ouders op nahielden.
Maar nu, dertig jaar later, zie ik het steeds meer om me heen gebeuren. De culturele klassenstrijd, de culture wars, zoals het in de Verenigde Staten wordt genoemd. Het gaat daarbij niet langer om de productie-, maar om de communicatiemiddelen; het gaat erom wie de toon zet van het debat.
Gisteren vertelde een buurman me een anekdote, waarin ik nu ineens de klank ontdekte van culturele verongelijktheid, die ik jaren daarvoor zou hebben gemist.
Buurman gaat regelmatig naar de sportschool en dat is hem aan te zien. Hij heeft een opvallend goed lichaam - niet alleen voor een man van zijn middelbare leeftijd, hij kan ook met gemak de concurrentie met de jonkies aan. Ik heb wel eens met hem getraind, en zag toen het verschil tussen aanleg (hij) en doorzettingsvermogen, waar het mij in de sportschool aan ontbreekt. Maar geef twee mannen een derde term, in dit geval ijzerwaren & apparaten, en ze praten met elkaar tussen de bedrijven door. Ik geloof dat veel vrouwen het praten zelf als het bedrijf zien, maar voor mannen moet het nebenbei gebeuren.
Buurman vertelt over zijn jeugd in Amsterdam-Noord, een echt arbeidersgezin, een vader die letterlijk zijn lichaam moet afbeulen om brood op de plank te krijgen. Al heel vroeg wist buurman, toen nog buurjongen: dat wordt mijn leven niet. Hij bekwaamde zich in de muziek, verdiende later op een andere manier goed geld, en gaat dus naar die sportschool - niet om zijn vader na te bootsen, integendeel: het verfraaien van zijn lichaam tekent de maximale afstand tot die vader, want buurman gaat het om het uiterlijk. Zijn spieren zijn luxe spieren, de belichaming van zijn vrije tijd. Ze zijn bedoeld om te charmeren, niet om daadwerkelijk te gebruiken.
- Provo had het over 'klootjesvolk', dit zijn hun opgeklommen nazaten
In de straat woont ook nog een buurvrouw die we allebei goed kennen. Zij is artistiek, vrijgevochten, en een verre nazaat van Thorbecke, onze liberale staatsman. Zij heeft haar jeugd niet doorgebracht in Amsterdam-Noord, maar in veel Europese landen, waarvan de meeste tijd in Zwitserland. Zij spreekt buurman amicaal aan, prijst nog eens zijn spieren, en vraagt dan of hij niet even haar vrienden kan helpen, die een paar loodzware pijpen van vierhoog naar beneden moeten zien te krijgen. Buurman kent die vrienden nauwelijks en is ontzet: hem wordt dus gevraagd het lastdier te zijn dat zijn vader zo lang is geweest. Buurvrouw is weer verbaasd door zijn ontzetting: hij heeft die spieren toch niet voor niets? Wat is dat nu voor moeite?
Dit misverstand is doortrokken van culturele klassenstrijd: zij ziet spieren plus man, en dat maakt werkman, zoals haar voorouders daar ook zo vanzelfsprekend op konden rekenen. Hij heeft zich met zijn geprononceerde bi- en triceps juist opgewerkt uit de nooddruftige klasse, die niets anders in de aanbieding had dan de eigen lichaamskracht. Haar nonchalante vraag maakt hem weer tot de eeuwige arbeidersjongen.
Dit kleine voorbeeld weerspiegelt de rancunestrijd die momenteel gaande is tussen de 'linkse elite' en de mensen die zich definiëren als het absolute tegendeel daarvan. Het zijn geen tokkies, daarvoor verdienen ze iets te veel en zijn ze te lang naar school gegaan. Provo had het vroeger over 'klootjesvolk', dit zijn hun opgeklommen nazaten. Zij hebben een feilloos gevoel ontwikkeld voor de minachting, die hun tussen neus en lippen ten deel valt. Lang hebben ze de VPRO vermeden, of er juist met stil ontzag naar gekeken, en nu praten of schreeuwen ze terug.
Dat valt toch wel mee, met die minachting, denkt u nu. Ik denk het zelf ook altijd.
Omdat VN-lezers toch allemaal nog aan dat boek van Jonathan Franzen willen beginnen, Vrijheid, is dit een mooi moment om dat te doen. De belevenissen van het echtpaar Walter en Patty Berglund, leuke, progressieve, oude Volvorijders die omarmend in het leven staan, totdat hun zoon het aanlegt met een meisje uit de minder culturele klasse. Het venijn en de verachting die dan vrijkomen, wordt zo precies beschreven, dat ik grote moeite had mezelf er niet in te herkennen.
Die 'oorlog tegen de islam' is vooral een culturele klassenstrijd tussen Nederlanders onderling.
