VN MediagidsBreindood
13.05.2006
Het was zo’n vlucht waarop de stewardess belooft met ‘weekbladen’ rond te gaan, alles natuurlijk tegen contante betaling, en net als je overweegt om De Groene Amsterdammer aan te schaffen (VN zit al in je handbagage) blijkt dat het assortiment zich beperkt tot Flair en Autoweek.
Het is een vlucht die gericht is op de grootste gemene deler, en de passagiers bestaan uit ‘gewone mensen’. Elke socioloog begint te blozen en te blazen als de categorie van de ‘gewone mensen’ aan de orde komt, maar er zijn er genoeg die zichzelf zo noemen, met een zekere wellust en een zweem van klasseninstinct. ‘Nou, ik ben maar een gewone man…’ beginnen ze, om vervolgens venijnig uit te halen naar iedereen die te dikke boeken leest of moeilijke woorden gebruikt.
Gewone mensen bestaan, ze zeggen het zelf, ze willen nadrukkelijk zo heten, al was het maar om zich te onderscheiden van de dikdoeners en kouwe kak.
Waarom moest er trouwens gevlogen worden en gevlucht, last minute nog wel? Omdat het maar niet wilde zomeren, zelfs niet een beetje wilde lenten; omdat de eigen, vertrouwde omgeving, het ingesleten ritme en het dagelijkse patroon ineens geen veiligheid meer boden, maar woede opwekten of op zijn best verveling. Omdat er een breuk moest worden geforceerd, nu meteen, zoals kleine kinderen dromen van de Grote Vakantie, waarna alles anders zal zijn, zijzelf nog wel het meest. Zo werd er in den blinde geboekt: geen reis ergens naar toe, maar een reis weg van hier. Wat staat nog open, Agadir staat open? Doen, aan het strand, drie restaurants, show en/of livemuziek, dagelijkse animatie voor volwassenen en kinderen, alles beter dan hier te blijven en jezelf te moeten reanimeren.
Op dat moment heb je jezelf een brevet van onvermogen uitgereikt: nee, je wilt niet reizen, zelf dat leuke achteraf hotelletje ontdekken of de bonnefooi beproeven, je wilt meegenomen worden aan de hand, je wilt ongecompliceerd plat op het strand, zonder culturele of intellectuele verplichtingen, je wilt domweg gelukkig zijn, net als al die andere gewone mensen.
Ergens in de reispapieren moet de magische woordcombinatie ‘All Inclusive’ opgedoken zijn. Ontbijt, lunch, diner, lokale alcoholische dranken tot 24.00 uur benevens alle frisdranken, koffie en thee 24 uur per dag, alles inclusief, het lokte me niet aan, het schrok me niet af, ik kon me er geen voorstelling van maken.
Pas bij de enorme balie van het toch al enorme hotel begon me iets te dagen: het meisje vroeg of ik mijn arm wilde uitstrekken, en ik begreep haar niet, werd ik nu getrakteerd op een lokaal begroetingsritueel, nee, nee, mijn pols, hier, en ineens zat er een plastic armbandje omheen dat er niet meer af ging, een merkteken dat niet verried dat ik voor ‘respect 4 all’ was of tegen discriminatie, maar dat mij bestempelde als service waardig. Ik hoorde nu bij de club van het gratis eten en drinken. Als ik het hotel verliet om me zomaar onder de lokalen te begeven, zou ik nog steeds gebrandmerkt zijn, een dwalende hotelgast, die tevergeefs probeert het all inclusive-regime te ontvluchten.
En op slag voelde ik mij patiënt, verlamd, het liefst had ik gezien dat iemand anders mijn koffer voor me uitpakte: ik hoefde niets te zeggen of te vragen, ik hoefde alleen maar te zwaaien met mijn bandje en mijn handje, en de ober schonk bij, de omelet lag op mijn bord.
Vergeet Cuba. Vergeet alle socialistische experimenten uit het verleden. Hier, in deze toeristische binnenruimte was het geld afgeschaft. Iedereen droeg de witte polsband, iedereen was evenveel waard. Je hoefde niet te patsen met nog een extra flesje wijn, want ook dat was inclusief, en geen oog dat scheef zag van jaloezie. We hadden betaald, om niet meer te hoeven betalen, er was geld uitgegeven om het geld uit te bannen. De onmogelijke, communeachtige dromen van Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) en van Charles Fourier (1772-1837), werden hier in de praktijk gebracht: het beste socialisme was weer eens van kapitalistische makelij, de radicale gelijkschakeling een uitvinding van de toeristenindustrie.
Met de dag kon ik minder. Er waren geen gratis sigaretten, dus die moest je kopen. Ik vond ineens dat geld stonk, ik wist niet hoe snel ik van die vieze muntstukjes af moest komen.
Een weeklang vierde ik vakantie in het socialisme, en ik kwam bruin en breindood terug.
