VN MediagidsBedelende blanken

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

28.10.2009

Door Stephan Sanders

De straat langs de Kaapse wijk Greenpoint is altijd een drukke straat geweest, met veel gedoe op de stoep en minibusjes die langsrazen: van verre al hoor je de gekleurde jongens die uit de ramen hangen en elke voorbijganger toeschreeuwen in hun kombuis-Afrikaans. Dat is niet veranderd.

Maar nu staat hier het stadion dat in 2010 het WK voetbal gaat herbergen, en dus is de hele buurt, nee, niet onherstelbaar verbeterd, maar echt opgeknapt. Rode sierstenen, bankjes, design-lantaarnpalen die flink licht geven 's avonds, wanneer het donker juist jongens trekt die in een handomdraai je mobiele telefoon weten te vinden.

Twee jaar geleden liep ik hier 's nachts alleen, op mijn hoede, omdat ik de wijsheid van de reisgidsjes wilde tarten die vertelden dat Greenpoint een prima buurt was, maar als de schemering valt: niet doen, neem een taxi.

Ook dat is anders, nu: vrouwen die in hun eentje slenteren, van wie maar een heel klein percentage hoeren. Duitse toeristen met een hongerige blik naar ellende, die op deze straat zo schaars geworden is. En natuurlijk Kaapse burgers, met een zekere zelfvoldaanheid in hun tred, want het gaat beter met de stad, heus waar.

Net gegeten bij Mario's, een Italiaanse klassieker, waar een prototypische Mamma de scepter zwaait. Ik vroeg of de saus niet over mijn vis gekieperd kon worden, maar ernaast, en zij is toen even bij mijn tafeltje gekomen: 'Luister eens: dit is mijn recept, die saus hoort over de vis, anders blijft er niets van over.'

Na dat copieuze maal, met ook nog eens de plaatsvervangende trots over de hernieuwde wijk in mijn buik, lopen we terug. Geliefde is een weekje over, ik laat hem mijn Kaapstad zien, en geliefde geeft zich gewonnen. Ja, de mensen hier lijken een beetje op die in Suriname, zijn geboorteland: dezelfde soort mixen, het bruin, dat domineert op straat. Maar alles is hier grootser, wereldser, ruwer ook. We bevinden ons niet in een doodlopende straat, waar de wereld ophoudt, we lopen in het epicentrum van een grote stad, in een groot land, dat ertoe doet.

Ja, we voelen ons wereldburgers, satisfaits en wel, en in die stemming schiet een vrouw me aan. Ze is blank, in dit land noteer ik dat meteen. Groepje vriendinnen op de stoep, voor het café, uitgelaten sfeer, zaterdagavond. Ze vraagt om een sigaret, en ik knik: sure. En terwijl ik haar een vuurtje geef, hoor ik mezelf zeggen: 'Ach, bedelende blanken, het blijft een alleraardigst gezicht.'

Vrouw zwijgt beduusd, ik zie hoe een oud verdriet in haar ogen trekt, en ik wil doorlopen, grinnikend, goh, wat voel ik me hier toch op mijn gemak. Maar geliefde is gechoqueerd. 'Hoe kan je, hoe durf je: dat hele apartheidsding is niet van jou, je hebt niet het recht…' et cetera.
Het gebeurt niet vaak, maar ik weet meteen dat hij gelijk heeft. Ik denk aan mijn moeder, blank, ik denk aan mijn bosrijke Twentse jeugd, ik denk aan mezelf, hoe Nederlands ik ben, onbekommerd, gevestigd, niks Allochtonië. En de schaamte schiet in mijn kop, als een migraineaanval.

Ik kan het verklaren, maar dat doet niets af aan mijn fout. Ik kan het verklaren, want dit land doet het je aan. In Nederland vergeet ik het bijna altijd (net zoals mijn vrienden), maar hier ben ik niet-blank. Gewoon, ronduit, op het eerste gezicht: niet. Ik ben een 'bruinmens' - licht van kleur, maar daar heb je er zoveel van, dat is eerder regel dan uitzondering. En samen met geliefde vormen wij een kleurlingenkoppel, dat, beetje verwaand, overdreven netjes Engels spreekt, als om onze jeugd te verdoezelen die we in een township hebben doorgebracht. We zullen de laatsten zijn die in het openbaar Afrikaans spreken, het kleurlingen-Afrikaans dat onze vroegere armoede tekent, onze ongeletterdheid. Wij spreken Engels, wij spreken beter en accentlozer Engels dan al die domme Afrikaners, die het patent hadden op het 'suiwer Afrikaans' en die ons huis-, tuin- en keukentaaltje grappig vinden, kinderlijk en amusant.

Dit hele verleden dat zo helemaal niet het mijne is, heb ik me daarnet toegeëigend, terloops, als een grapje, dat als een baksteen op het hoofd van die blanke vrouw terechtkwam. En ik zie hoe gemakkelijk het gaat, die verschansing in onrecht, reëel of vermeend. En ik snap waarom tweeëntwintig procent van de Engelsen zegt te gaan stemmen op de extreem-rechtse National Party. En ik kan volgen waarom Wilders die zesentwintig zetels haalt in de peilingen, want de mensen hebben het idee wraak te moeten nemen op het onrecht dat ze is aangedaan. Door wie? Door die lui daar, de anderen.

En als ik nu niet kon teruggrijpen op die Nederlandse jeugd, als ik echt op de Cape Flats had gewoond, tussen armoe en gangsters, wat dan?
Dan was die opmerking van mij beter te begrijpen en misschien zelfs verontschuldigbaar. Maar het feit wil dat er zoveel kleurlingen zijn van mijn leeftijd, met die hele apartheidsgeschiedenis in hun botten, die zich nooit zo laten gaan. En van dat soort mensen moeten we het hebben.

[reageren]