VN Mediagids'Ah, mes frères Tunisiens'

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Samenleving / Tunesië 25.01.2011

Door Stephan Sanders

Foto: Mehdi Chebil/Polaris/HH
Foto: Mehdi Chebil/Polaris/HH

We hadden er net op de radio over gepraat, op een zender die nu niet meteen stuk beluisterd wordt. Maar toch, radiospreken is bijna als vanzelf ook wat stelliger spreken, soms vliegt er ineens een oneliner uit je mond en klinkt je net geformuleerde ideetje als het bezonken oordeel van een expert.

En dat waren en zijn we niet, Tunesië-experts. Zelfs niet eens Tunesiërs. Maar de volkomen onverwachte Jasmijnrevolutie, de vlucht van president Ben Ali en de beelden van de mensen, rijenbreed en vastbesloten op straat had toch ook ons Nederlandse hart geraakt. Dus spraken wij als buitenstaanders: enigszins gedistantieerd en voorzichtig optimistisch, met heel veel kanttekeningen, natuurlijk. Want wat zou het alternatief worden voor Ben Ali? De Tunesische afdeling van het Front Islamique du Salut, de FIS? Welke balling wachtte er in de coulissen van Londen en Parijs, en mochten we ervan uitgaan dat het geen tweede Khomeini was? Ook Irak kwam nog even voorbij, de chaos en de burgeroorlog nadat Saddam Hoessein verdwenen was, maar er geen geoefende oppositie klaar bleek te staan om de boel over te nemen.

Het waren de niet-onverstandige opmerkingen van drie Nederlandse journalisten, die hun huiswerk hadden gemaakt en het voor de zekerheid - want aan licht pessimisme val je je nooit een buil - aan de zuinige kant hielden.

Op de terugweg naar huis fietste ik voorbij het restaurant van M. en zijn jongere broer R. Ik kom ze al jaren tegen, en telkens begroetten wij elkaar op mediterrane wijze, met een brede omhelzing en met mijn ritueel uitgesproken, 'Ah, mes frères Tunisiens'. Even spreken wij Frans, dan gewoon door op z'n Hollands.

M. was dus niet in de straten van Tunis om daar zijn buurtwacht te organiseren, M. rende van de keuken naar de tafeltjes en deed zijn gewone, dagelijkse werk.

Verbeeldde ik het me, of was de omhelzing dit keer nog breder? Ik deelde felicitaties uit en M. glom, alsof hij eigenhandig die Ben Ali het paleis uit had geschopt. Zijn moeder belde hem elke dag, zijn zuster, en natuurlijk wilde hij niets liever dan nu in Tunis zijn, bij zijn mensen, 'bij mijn volk, waar ik nu zo trots op ben'.

Maar de omzet, hè, er moest ook geld verdiend.

Dit had de reactie van een Nederlander kunnen zijn, en mij stelde dat gerust.

- Ai, dacht ik, de mythische eenheid van het volk, dat kan nog naar aflopen

In de jaren tachtig en negentig ben ik veelvuldig naar Tunesië geweest, je kon er bijna overal terecht met je Frans en de samenleving leek zo veel overzichtelijker dan die van Marokko en Egypte. Ik kende ook toen al de rapporten van Amnesty International, waarop Tunesië er altijd weer zwaar gekleurd opstond. Ik sprak ook met Tunesische ballingen, die me verzekerden dat in hun geboorteland de schone schijn regeerde. Maar nog steeds vraag ik me af hoe een zo repressieve politiestaat erin geslaagd is zo'n ogenschijnlijk vriendelijk klimaat te laten zegevieren in haar hoofdstad en langs haar kusten.

Die Ben Ali moet veel van Theresienstadt hebben geleerd.

Bovendien had ik sympathie voor de Tunesiërs, precies om de redenen waarvoor Algerijnen en Marokkanen me waarschuwden. 'Die Tunesiërs, dat is een volk zonder ruggengraat. Alles is handel voor ze. Hun ouwe moer zouden ze je nog verkopen. Het zijn… hoeren. Kennen geen principes.'
Dit leken mij evenzoveel aanbevelingen in een regio die door rigiditeit wordt beheerst. En nu hadden juist deze flierefluiters wel even de eerste, Arabische revolutie op hun naam geschreven.
M. bood nu gratis drank en toespijs, want het is feest: 'Mijn mensen staan daar hand in hand, ze willen leren, ze willen werken, en dan pas zeuren ze om brood.'

Ai, dacht ik meteen, de verrukkelijke, mythische eenheid van het volk, dat kan nog heel naar aflopen.

Maar M. is ervan overtuigd: van islamisten heeft Tunesië niets te vrezen. Dat is een klein clubje, dat leeft niet erg. 'Kijk naar mijzelf, vader uit een joodse familie, schoolgegaan bij de Franse katholieken.' Dan fluisterend: 'wij zijn natuurlijk geen Arabieren. Dat willen ze de wereld laten geloven, maar is niet waar. Carthagenen, het oude Carthago… daar liggen onze wortels. Wij zijn anders dan de rest van de Maghreb.'

En M. vertelt over het hoerenstraatje, achter in de medina, net als vroeger bij ons op de Zeedijk. En hoe de oude Bourguiba al zei: 'Kijk, hier een moskee, daar een school, hier een synagoge, daar een café… dat is Tunesië.'

Wij klinken er nog eens op, en ik vraag of M. alles per satelliet-tv volgt.
'Nee, ik wil niet zo'n schotel aan mijn huis. Je weet toch: dan ben je hier meteen zo'n moslimallochtoon.'

Zo, die kan ik voor Nederland incasseren.

En bij het afscheid merk ik dat-ie me toch heeft besmet: een onverantwoord en lichtzinnig enthousiasme zit me in de benen.

dhr

Geplaatst door: Ganshoorn reacties

"Maar de volkomen onverwachte Jasmijnrevolutie, de vlucht van president Ben Ali en de beelden van de mensen, rijenbreed en vastbesloten op straat had toch ook ons Nederlandse hart geraakt." Hier ontbreekt een komma achter 'straat', nodig om onderwerp en werkwoord beide in enkelvoud te kunnen stellen.

[reageren]