VN MediagidsWat Nederlandse kabinetsformaties zo ingewikkeld maakt, is niet de rol van de vorstin
Politiek 09.09.2011
Eric Kolfschoten zat van 1959 tot 1971 in de Tweede Kamer voor de KVP (van snelle doorstroming had het Binnenhof toen nog geen last). Zijn naam zou in de vergetelheid zijn geraakt als hij in 1971 niet de motie-Kolfschoten had ingediend: 'De Kamer spreekt als wenselijk uit dat na de verkiezingen een nieuwgekozen Kamer op korte termijn bijeenkomt teneinde in een openbare beraadslaging te onderzoeken of een meerderheidsoordeel kan worden uitgesproken omtrent een door het staatshoofd te benoemen kabinetsformateur.' Kolfschoten was geen barricadebestormer. Zijn voorstel had meer met de tijdgeest te maken dan met hem. Een paar jaar eerder was antiregentenpartij D66 opgericht. Binnen de PvdA ijverde Den Uyls rechterhand Ed van Thijn voor bestuurlijke vernieuwing. De rechtstreeks door de bevolking gekozen minister-president waarvoor D66 pleitte, ging hem te ver: die zou voor de verleiding kunnen bezwijken om Kamerbesluiten naast zich neer te leggen. Wél voelde hij voor een rechtstreeks gekozen kabinetsformateur. De leider van de grootste partij moest een coalitie vormen die op een Kamermeerderheid kon rekenen. De Koningin zou zich voortaan beperken tot de plechtige ontvangst van de nieuwe ministers op het paleis. Ook dat voorstel kon geen genade vinden in de ogen van de confessionelen en liberalen. Niet het volk maar de Kamer moest de formateur kiezen, vonden zij. Vandaar de motie-Kolfschoten, waar links verbolgen over was. Van Mierlo sprak van een 'flauwekul-oplossing', een 'schijnvertoning' die zou leiden tot 'nog grotere konkelarij'. Na een zinloos debat kwam de Kamer met hangende pootjes terug bij de Koningin, voorspelde hij. Het parlement gedroeg zich volgens hem als 'een muis die brulde'.
De gebeurtenissen gaven hem gelijk. Na de verkiezingen probeerde de Kamer een formateur aan te wijzen. Alle partijleiders waren bang dat zij het voortouw moesten nemen en de anderen hen dan zouden laten struikelen. Dus bedankten ze beleefd voor de eer. Koningin Juliana stelde zich terughoudend op maar benoemde uiteindelijk toch maar een informateur: niet verkiezingsoverwinnaar Den Uyl maar KVP-Godfather Piet Steenkamp. Het was de eerste en laatste keer dat de Kamer op de stoel van de vorstin probeerde te gaan zitten. De motie-Kolfschoten bleef een doodgeboren kindje.
- Kan de Kamer nu wél met overtuiging een formateur voordragen?
Gaan we binnenkort een nieuwe 'schijnvertoning' tegemoet? Veertig jaar na de motie-Kolfschoten dromen de politici weer van een kabinetsformatie zonder Koningin. De aanval op het paleis komt dit keer niet van links maar van rechts: de PVV die een ceremoniële monarchie wil naar het model van Zweden. Het Oranjehuis moet de regering uit en zich niet meer bezondigen aan kersttoespraken vol uitspraken over de Europese gedachte, de multiculturele samenleving en het belang van verdraagzaamheid. Om de populisten voor te blijven, bracht de PvdA een rapport uit over 'verbindend koningschap'. Een werkgroep onder leiding van staatsrechtdeskundige Joop van den Berg stelde voor dat de monarch deel blijft uitmaken van de regering. Maar het voorzitterschap van de Raad van State kan worden geschrapt, en kabinetten moeten worden gevormd zonder hulp van buitenaf. Eerder zaagden D66 en GroenLinks al voorzichtig aan de stoelpoten van de monarchie. De Kamer moest een debat wijden aan de verkiezingsuitslag en eventueel een kabinetsformateur kiezen, opperden Boris van der Ham en Ineke van Gent in het voorjaar van 2010. Hun voorstel leek als twee druppels water op de motie-Kolfschoten.
Maar wie zegt dat de Kamer nu wél in staat is met volle overtuiging een formateur voor te dragen? Wat Nederlandse kabinetsformaties zo ingewikkeld maakt, is niet de rol van de vorstin maar het stelsel van evenredige vertegenwoordiging. Anders dan in de VS en Engeland haalt geen partij hier genoeg stemmen om te kunnen regeren. Er moet altijd een coalitie worden gevormd - desnoods een gedoogcoalitie. Waarom zou een Kamerdebat over de kabinetsformatie niet net zo rommelig verlopen als in 1971? Met partijleiders die een ander de eer gunnen om zelf niet te hoeven mislukken? Wat als de formatie voortijdig strandt? Wie komt dan aan bod en wanneer? Op zulke vragen geven de plannen van PVV, PvdA, GroenLinks en D66 geen antwoord. Ondertussen is de koningin er niet meer om de plooien glad te strijken.
Het voorstel om de Oranjes en hun adviseurs uit de kabinetsformatie te weren, zal onder de huidige politieke omstandigheden wel een meerderheid halen. Maar het zou me niets verbazen als we nog eens heimwee krijgen naar wijze mannen als Piet Steenkamp, Herman Tjeenk Willink, Rein Jan Hoekstra, Frits Korthals Altes en Herman Wijffels.
