VN MediagidsVoetnoot in de geschiedenis

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 16.10.2007

Door Max van Weezel

Binnenkort beginnen de babyboomers met hun herdenkingen en de generaties die na hen zijn gekomen, zullen het weten. Mei 2008 is het veertig jaar geleden dat de studenten van de universiteit van Nanterre de barricaden beklommen om democratisering van het onderwijs en vrije toegang van meisjes tot de slaapzalen af te dwingen. Rond die zelfde tijd stak de Rote Armee Fraktion twee Frankfurtse warenhuizen in brand om te protesteren tegen de ‘onverschilligheid van de Duitsers tegenover de moorden in Vietnam’. Drie maanden later wordt herdacht dat de troepen van het Warschaupact een eind maakten aan het experiment met de ‘Praagse lente’.

In februari 2009 moet nodig stilgestaan worden bij het feit dat studenten van de Katho­lieke Hogeschool in Tilburg hun onderwijsinstelling omdoopten in Karl Marx Universiteit. In mei van dat jaar is de Maag­denhuisbezetting veertig jaar geleden. Van Parijs tot Berlijn liggen de boekwinkels al vol met memoires en herinneringen van de raddraaiers van toen. Met op de kaft uiteraard de beeltenis van Che Guevara en teksten als ‘Stop the War’ en ‘Flower Power’.

Is het de moeite waard de culturele revolutie van eind jaren zestig te gedenken? In veel opzichten niet. Helden als Che Guevara en Ho Chi Minh bleken later naargeestige communistische dictators te zijn geweest. Bij onze oosterburen mondde de rebellie van de bloemenkinderen uit in schietpartijen en liquidaties van bankiers en voormannen van het werkgeversverbond. De communes en woongemeenschappen waar het collectief bepaalde wie het huis schoonmaakte en wie met wie naar bed ging, zouden in deze tijd van normen en waarden de toets der kritiek niet meer doorstaan. De anti-autoritaire kindercrèches die werden opgericht, leverden krengen van kinderen op. De strijd tegen kerk en kapitaal heeft iets gedateerds nu overal lofzangen op de vrijemarkteconomie worden aangeheven en alom gepleit wordt voor herstel van de rol van de religie. Van leuzen als ‘Arbeiders en studenten één front’ denk ik: laat me niet lachen. De regimes die we haatten (Franco-Spanje, fascistisch Portugal, stalinistisch Tsjechoslowakije) zijn dankzij fluwelen revoluties verdwenen. De landen in kwestie zijn nu voorbeeldige EU-partners. Terwijl Vietnam de oorlog won, maar er daarna een potje van maakte. Is alle commotie van de jaren zestig niet meer dan een voetnoot in de geschiedenis geweest?

Van mij mag het. Met één uitzondering.

Toen ik in 1969 politicologie ging studeren in Amsterdam, hing de Oudemanhuispoort vol spandoeken. ‘Medebeslissingsrecht’, stond er op. ‘Zeggenschap voor alle geledingen op alle niveaus’. Een inspirerend ideaal, vond ik toen. En dat vind ik nog steeds. Toegegeven: de democratisering van de universiteit die in de jaren zeventig werd doorgevoerd, kende haar excessen: grote bekken die plenaire vergaderingen en bijeenkomsten van actiecomités naar hun hand zetten. Maar het was ook voor het eerst dat een poging werd ondernomen docenten, studenten en koffiejuffrouwen bij hun werk te betrekken. Jammer dat PvdA’er Jo Ritzen dat in de jaren negentig allemaal weer terugdraaide.

Het waren niet alleen radicale studenten die het ideaal van de democratisering koesterden. In Den Haag maakten politici als Hans van Mierlo en Ed van Thijn zich sterk voor meer invloed van de burgers. Uit de jaren zestig en zeventig stammen ook plannen als de gekozen minister-president en een kiesstelsel dat politici dwingt een rechtstreekse band met hun kiezers te onderhouden. Later kwamen daar het referendum en de gekozen burgemeester bij. Meer dan veertig jaar werd er in de politiek over gediscussieerd.

Nu niet meer. Hans Wiegel en Ed van Thijn (sic!) hielden in de senaat het referendum en de door de bevolking aangewezen burgemeester tegen. Balkenende killde binnenskamers de gekozen minister-president. Vice-premier Thom de Graaf kreeg voor het nieuwe kiesstelsel zelfs in zijn eigen D66-fractie de handen niet meer op elkaar.

Nu D66 als regeringspartij is ingeruild voor PvdA en ChristenUnie is het hele streven naar bestuurlijke vernieuwing bij het grofvuil gezet. Laatst zag ik de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken, Guusje ter Horst, op de televisie. De PvdA’er over directe vormen van democratie: ‘Het kabinet wil dat niet.’ De oud-burgemeester van Nijmegen over het bindend referendum: ‘Daar ben ik tegen.’ De gekozen burgemeester dan? ‘Daar heb ik me in mijn Burgemeesterslezing in Den Haag al tegen uitgesproken.’

Uiteraard was ze het met haar premier, vice-premier en staatssecretaris van Euro­pe­se Zaken eens dat er geen nieuw EU-referendum moest worden gehouden. Zulke volksraadplegingen leverden alleen maar simpele ja’s of nee’s op. De burger moest begrijpen dat politiek nu eenmaal een zaak van geven en nemen was en dat dat beter aan ministers en Kamerleden kon worden overgelaten. Het was precies de regententaal waartegen de Maagdenhuisbezetters destijds in opstand kwamen. En dat uit de mond van iemand die in de jaren tachtig voorzitter van de gekozen universiteitsraad in Amsterdam was.

Moeten de babyboomers – in rolstoel en op krukken – nog één keer de barricaden op?