VN MediagidsStrenge meesteres

Op deze pagina vind u de volgende onderwerpen:

U kunt ook direct naar het hoofdmenu of het zoekveld springen.

Politiek 23.10.2007

Door Max van Weezel

Wie iets van de politieke situatie in Nederland anno 2007 wil begrijpen, zou eigenlijk het boek Crisis en critiek der democratie van historicus A.A. de Jonge moeten lezen. Na een bezoek aan de bibliotheek om precies te zijn, want in de winkel is het al geruime tijd niet meer verkrijgbaar. De van zijn geloof gevallen marxist schreef het boek in 1968 en het circuleerde ook toen alleen in een kleine kring van politicologen en bestuurskundigen.

Onderwerp van het boek zijn de jaren dertig. Een tijdperk dat in het teken stond van het tegelijkertijd oprukken van het fascisme in Italië, het nationaal-socialisme in Duitsland en het stalinisme in de Sovjet-Unie. Maar ook in Nederland maakten gevestigde politici als Ch. J. M. Ruijs de Beerenbrouck en Hendrikus (‘Ik verzoek de luisteraars rustig te gaan slapen’) Colijn zware tijden door. In Wall Street was de beurs ingestort, met verstrekkende gevolgen voor de economie in bijna de hele wereld. Tegen 1935 kende Nederland een half miljoen werklozen. Lange rijen vormden zich voor de arbeidsbureaus en stempellokalen. Ondanks de malaise bleef de meerderheid van de Nederlanders de parlementaire democratie trouw, maar hier en daar klonk de roep om de sterke man.

In zijn boek maakt A.A. de Jonge onderscheid tussen de grote en de kleine crisis van de democratie. Anders dan Duitsland worstelde Nederland met een naderende kleine crisis: opinieleiders en media leverden steeds meer kritiek op het verkalkte partijenstelsel dat alleen de elite zou bedienen. De beginselen van de democratie werden niet aangetast, maar door veel burgers ook niet langer onderschreven. Grote en kleine avonturiers zagen een gat in de markt. Zelfbenoemde sterke mannen waren er te kust en te keur – van Alfred Haighton van het blad De Bezem via Arnold Meijer van de vooral in het zuiden des lands populaire groepering Zwart Front tot ir. Anton Mussert met zijn Nationaal-Socialistische Beweging. De laatste had uiteindelijk het meeste succes. De employé van Rijkswaterstaat werd door de bezetter in 1942 tot ‘Leider van het Nederlandsche volk’ uitgeroepen. Tot verdriet van zijn vele rivalen. ‘Tussen 1920 en 1941 bestond het rechts-extremistische geluid uit een kakofonie van elkaar overschreeuwende “nazi-führers”. Ruzies, splitsingen en fusies gooiden het strijdtoneel van “Leiders” regelmatig om.’ Die wijsheid ontleen ik aan de website ‘Stormfront’ die de ‘trieste ontwikkelingen’ binnen het nationaal-socialistische kamp van destijds nog altijd betreurt.

Met vergelijkingen met de jaren dertig moet je uitkijken. Natuurlijk wisten de nationaal-socialisten en nationaal-solidaristen in het interbellum ook niet tot welke misdaden de door hen bewierookte Mussolini en Hitler uiteindelijk in staat bleken. De Tweede Wereldoorlog was wel de reden waarom Nederlandse politici zich na 1945 liever niet het predikaat ‘Leider’ lieten aanmeten. In plaats daarvan gingen ze prat op hun vermogen in achterkamertjes compromissen te smeden. Tot de Fortuyn-revolte van 2002 het gepolder in een kwaad daglicht stelde.

In het Nederland van nu zijn termen als nationaal-socialist en fascist – gelukkig – nog steeds taboe. Maar op de nationale identiteit kun je weer met een gerust hart hameren. En pochen op je leiderschapscapaciteiten kan weer zonder bang te hoeven zijn om door Jan Blokker met il Duce te worden vergeleken.

Want opnieuw beleven we een ‘kleine crisis van de democratie’: de gewone man maakt het parlement, net als in de jaren dertig, voor een praathuis en een verzameling zakkenvullers uit. Dus is er een kans voor politici die beloven dat ze daden zullen stellen. En dat ze zich daarbij niet laten hinderen door partijbesturen en congrestijgers die hen voor de voeten lopen. Want je bent een leider of je bent het niet.

Trendsetter was de Goddelijke Kale die zijn partij – uniek voor Nederlandse verhoudingen – de Lijst Pim Fortuyn noemde. In zijn voetsporen riepen ook Hilbrand Nawijn en Geert Wilders zich tot lijsttrekker van hun eigen lijst uit. De huidige Partij voor de Vrijheid lijkt op een traditionele politieke groepering maar is dat niet: Wilders is het enige lid van de partij.

En van de huidige generatie elkaar overschreeuwende leidersfiguren kan niemand zich meten met Rita Verdonk die vorige week Trots op Nederland oprichtte. Een beweging, geen partij. Zoals haar vertrouweling Ed Sinke in de Volkskrant uitlegde: ‘Van die verduisterde congreszaaltjes met een handjevol leden dat uren staat te zeuren over moties en amendementen, daar los je geen problemen mee op.’ Verdonk zelf wil ‘de mensen in het land direct bereiken’ en zal dan een en al oor zijn. Maar partijleden die je kunnen tegenspreken? Dat liever niet: ‘Uiteindelijk bepaal ík de koers.’

Van extreem-rechtse sympathieën zal ik Verdonk niet snel betichten. Ze wil de files oplossen en de integratie aanpakken en dat is klein bier vergeleken met Hitlers streven naar Lebensraum. Maar haar visie op de democratie is niet minder autoritair dan die van de Gerretsons en Heightons van de jaren dertig.

Smacht Nederland naar een strenge meesteres?